*

 
dossier

Archief

De echte illusie van Den Uyl

WILLEM BREEDVELD − 21/01/98, 00:00

De Nijmeegse hoogleraar Bosmans maakte afgelopen vrijdag een vernietigende balans op van de era Den Uyl met de woorden (zie Trouw van zaterdag 17 januari): “Met de wisseling van de wacht midden jaren tachtig zocht de PvdA versneld weer aansluiting bij de grondslagen van onze politieke cultuur en borg zij de erfenis van Den Uyl veilig op in de kast der historie om haar daar te koesteren.”

Bosmans sprak op een congres van de universiteit van Nijmegen dat gewijd was aan het thema 'Illusies van Den Uyl?'. Hij was nog niet uitgesproken of het congres van de PvdA leverde zaterdag al het passende bewijs voor zijn stelling. Dat congres was op consensus gericht, regeringsgezind en tegelijkertijd braver dan ooit. Een partij in ruste, zoals NRC Handelsblad de voormalige actiepartij typeerde. Bosmans conclusie: “Den Uyl zal wel flink grommen, als hij ziet hoe momenteel de verzorgingsstaat gesaneerd wordt, de overheid steeds meer vertrouwt op marktprikkels en verzakelijking troef is in de politiek”.

Toch waag ik te betwijfelen of hierin de echte illusie van Den Uyl besloten ligt, zoals Bosmans suggereert. Den Uyl immers was ook de man van de jaren vijftig, de man van de smalle marges, een regeerder bij uitstek, die van de malle fratsen van Nieuw Links hoegenaamd niets moest hebben. Zelfs als premier in de jaren zeventig, toen Nieuw Links de PvdA al lang in zijn greep had, sputterde hij op gezette tijden tegen. Hij steunde Wim Duisenberg met zijn bezuinigingsplannen die zelfs het CDA te bar vond en voor de VPRO-radio filosofeerde hij tot groot ongenoegen van de partij 'met de benen op tafel' over een flinke herziening van de sociale zekerheid.

Mijn stelling is daarom dat Den Uyl wel een beetje zou hebben gegromd. Maar niet zozeer vanwege de verzakelijking, of de consensusgerichtheid van de club, als wel omdat het een tamme boel is geworden. Den Uyl was iemand die dol was op tegenspraak en juist daaraan ontbreekt het op het ogenblik. Wim Kok vindt het wel prettig er een hofhouding op na te houden, die tegen iemand zegt: ga! en hij gaat, zoals Wallage vorige week in HP/De Tijd onthult en die zich al sinds jaar en dag geen seconde druk hoeft te maken over het tegenspel vanuit de partij of het congres.

Dat nu zou Den Uyl betreurd hebben. Hoewel paradoxaal genoeg die door hem begeerde tegenspraak vanuit de partij ook tegelijkertijd zijn ondergang is geworden. Dat zit zo. Den Uyl zou zijn fel door hem begeerde tweede kabinet hebben kunnen formeren, ware het niet dat fractie en partij hem voortdurend hadden opgezadeld met onmogelijke eisen. Achteraf kun je je afvragen waarom hij die tegenspraak niet met een krachtige uitspraak van zijn kant terzijde heeft geschoven. Maar juist op dat punt hechtte Den Uyl al te zeer aan de partijdemocratie en misschien was hij ook wel beducht voor een scheuring van de partij.

Hoe dan ook, toen ik hem er ter gelegenheid van een jubileumbundel van Algemene Zaken in 1986, een half jaar voor zijn dood, naar vroeg zei hij: “Ik heb dat niet gewild. Ik wilde de democratische verworvenheden van onze partij niet op de tocht zetten. Ik wilde de politieke bewustwording van zoveel mensen niet in de knop breken.” Waarop ik tegenwierp dat hij de partij in het belang van de zoveel grotere schare kiezers had kunnen tegenspreken. Dat vond hij onjuist: “Zo'n beroep op de kiezer wil ik niet in stelling brengen tegenover het congres. Moet ik mij tegenover het congres beroepen op de zwevende of wisselende kiezer. Dat kan toch niet?”

Inmiddels legt Kok uitspraken van het congres - voorzover het daar al van komt - gewoon naast zich neer. Dat is het verschil.

mailIcon print |