*

 
dossier

Archief

'We willen niet alleen Pakistani, de hele wereld willen wij'

MARIJKE VERDUYN − 27/08/98, 00:00

Zeventien dagen lag de kleine Rabie op de intensive care van een Rotterdams ziekenhuis. Zeventien dagen lang bleef ds. Eric Sarwar bij de ouders in het ziekenhuis. En al die tijd kwam de hele gemeente elk vrij moment bij elkaar in de stille kamer van het ziekenhuis om te zingen en te bidden.

De artsen hadden de hoop al opgegeven en adviseerden de behandeling te staken, maar de gemeente had nog steeds hoop. De leden van de Pakistaanse kerk hebben immers ervaring met gebedsgenezing. Was een depressieve Nederlandse vrouw niet door het aanhoudend gebed van de gemeente genezen? En een door boze geesten bezeten hindoegezin?

De vrouw van ds. Eric was een paar jaar geleden ernstig ziek. Ook in haar huis was de gemeente steeds aanwezig geweest om te bidden. Zij genas.

De driejarige Rabie overleed vorige week aan de gevolgen van zijn hersenvliesontsteking. Het is Gods plan zegt ds. Eric. “We mochten hem niet meer houden. We zijn blij dat hij naar God toe gaat.”

Ds. Eric laat zich tijdens het gesprek bijstaan door zijn vrouw Rose: zij is al langer in Nederland en spreekt beter Nederlands. Zij kwam met haar ouders midden jaren zeventig naar Nederland. In die tijd zochten en vonden veel Pakistani werk in ons land. Sarwar kwam in 1982 om met haar te trouwen. Het was een gearrangeerd huwelijk, zoals gebruikelijk in Pakistan.

Sarwar Eric werd geboren in Karachi, de hoofdstad van Pakistan, in 1958. Zijn ouders waren lid van The Church of Pakistan, een samenwerkingsverband van anglicanen, methodisten, lutheranen en presbyterianen. Hij ging naar een christelijke (Engelse) lagere school en een islamitische middelbare school. Dat gaf eigenlijk nauwelijks problemen: christenen en moslims gingen in die tijd vrij redelijk met elkaar om. Tegenwoordig zijn er berichten dat christenen het moeilijk hebben, met name in dorpen. Pakistan, sinds de onafhankelijkheid in 1947 een islamitische staat, trekt de laatste decennia de islamitische teugels wat aan. De christenen - een kleine minderheid van nog geen twee procent - ondervinden daarvan de gevolgen.

In Pakistan kan geen nieuwe kerk meer worden gebouwd, althans niet een die als kerk herkenbaar is. De kinderen van de broers van ds. Eric hebben geen werk: Pakistaanse christenen zijn vrij gemakkelijk ter herkennen aan hun Engelse achternaam of aan de achternaam Massi, afgeleid van Messias. En dan is er verordening 295c, ruim tien jaar geleden van kracht geworden onder president Zia ul-Haq, die de doodstraf stelt op belediging van de profeet Mohammed. Toen vorig jaar een roomskatholieke bisschop in Pakistan dood werd aangetroffen, ratelde bij de familie Sarwar Eric een paar uur later al de fax: moord, zelfmoord? Inmiddels is volgens Eric de toedracht duidelijk: de bisschop was zo wanhopig dat hij geen rechtsbijstand kon vinden voor een veertienjarige christelijke jongen die opgehangen dreigde te worden op grond van verordening 295c, dat hij zelfmoord pleegde. En in het dagelijks leven blijkt deze wet een bruikbaar instrument bij burenruzies.

In Pakistan was Sarwar Eric metaalarbeider. Hij dacht ook in Nederland wel in dat vak aan de slag te kunnen komen, maar omdat hij niet zo goed Nederlands sprak, lukte dat niet meteen. Samen met zijn vrouw ging hij trouw op zondag naar een plaatselijke kerk. Hoewel hij wist dat er in Rotterdam meerdere Pakistaanse gezinnen waren, ontmoette hij hen daar niet. “Toen begon ik de gezinnen te bezoeken en vroeg ik waarom ze niet in de kerk kwamen. Het Nederlands bleek een probleem. Toen ben ik huisdiensten begonnen in het Urdu, de eigen taal.”

Hij had wat ervaring: een van zijn zwagers was predikant, en hij had goed naar hem gekeken. Maar na twee jaar bleken de manco's in zijn reportoire: er werden kinderen geboren die gedoopt moesten worden, er was behoefte het avondmaal te vieren, er werden trouwdiensten aangevraagd. Sarwar Eric vatte het plan op om theologie te studeren, maar de taal bleek alweer een obstakel. Het Dienstencentrum van de Gereformeerde kerken in Leusden adviseerde hem in Pakistan theologie te gaan studeren en zo geschiedde. In 1994 werd hij door de bisschop van Pashawar als predikant bevestigd.

Inmiddels zijn er kerkdiensten in Amsterdam (tweewekelijks) en Rotterdam (wekelijks). Rond de vijftig mensen - wonend in heel Nederland - bezoeken de diensten. Behalve Pakistani ook hindoestaanse Surinamers: het Hindi verhoudt zich tot het Urdu als Vlaams tot Nederlands. De diensten worden gehouden in het Urdu.

“Wij zijn warmer dan Nederlandse kerken. Jullie zijn koeler. Wij zijn een beetje Pinksterachtig. Evangelisatiewerk is belangrijk. Dat is ons werk. We willen niet alleen Pakistani, de hele wereld willen wij. We knopen een praatje aan in de bus, in de metro. Als wij zeggen dat we uit Pakistan komen, denken mensen meteen dat we moslim zijn. Dan zeggen we: nee, wij zijn christen en dan vertellen we wie wij zijn en hoe Jezus in ons leven werkt.”

De positie van Sawar Erics kerk, de the Church of Urdu Congregation Holland, is binnen de Nederlandse kerkelijke samenleving waarschijnlijk uniek. De kerk heeft een aanvraag lopen om als buitengewone wijkgemeente deel uit te gaan maken van de Gereformeerde kerk Rotterdam. Het verzoek daartoe is in 1992 uitgegaan van de Pakistaanse kerk. De speciale band tussen de Pakistaanse kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland is historisch bepaald: de Gereformeerde Kerken zijn vanouds missionair actief in Pakistan.

Eric en zijn vrouw zien vele goede kanten aan de Nederlandse samenleving: zoals de tolerantie tegenover andersdenkenden. “De goede dingen nemen we over, de slechte niet. Het is slecht om ongehuwd samen te wonen, de bijbel op de grond te leggen en zelf op de bank te zitten, je ouders in een bejaardenhuis te doen of als vrouw met onbedekt hoofd ter kerke te gaan. Want wat heeft Paulus over dat laatste gezegd? Nederlandse christenen zeggen dan: dat is cultureel bepaald. Maar de bijbel is al eeuwen dezelfde. En wat erin staat, geldt nog steeds.” De samenwerking met de Gereformeerden is er niet minder hecht om: “Dat is jullie cultuur. Bij jullie is dat normaal, bij ons niet. Daar kunnen we wel mee leven.”

Alhoewel, soms: in Rotterdam-West is een grote kerk verkocht en tot moskee verbouwd. Dat doet pijn. Rose Eric: “Ik protesteerde bij de predikant: waarom stoppen jullie dat niet? Hij zei: 'In ieder geval blijft zo de naam van God aangeroepen worden in dat gebouw'. Maar daar zijn wij het niet mee eens. Als er een moskee moet worden gebouwd, brengt de islamitische gemeenschap het geld op. Maar er worden zoveel kerken afgebroken of verkocht. Uit geldgebrek. Dat geldgebrek gaat ons nog opbreken. Jullie hebben de Bijbel gebracht naar AziĆ«. Daar wordt het warmer, hier wordt het kouder. Buiten hebben jullie gebouwd, binnen breken jullie af. En dat is niet de bedoeling, hè?”

mailIcon print |