*

 
dossier

Archief

'Geen mens die het weet'

COKKY VAN LIMPT − 07/01/95, 00:00

De eerste kerkbladen van 1995 zijn niet verrassend: met nieuwjaarswensen, beschouwingen over Driekoningen en de gebruikelijke rubrieken heb je het wel zo'n beetje gehad.

Bij het vooruitblikken op 1995 herinneren de meeste bladen eraan dat het een jaar van herdenken en vieren wordt, vijftig jaar na de bevrijding van de Duitse overheersing. Rabbijn Lody van de Kamp wijdt aan dat aspect van 1995 in het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) zijn tweewekelijkse column. Hij vraagt zich af in hoeverre de joodse gemeenschap hierin actief zal zijn. Tot nu toe had zij immers alleen ervaring met herdenken, niet met bevrijding vieren.

Toch hoopt Van de Kamp dat de joodse gemeenschap het kan opbrengen tijdens de evenementen “haar joodse gezicht te tonen”. “Want een halve eeuw is toch een keerpunt”, vindt hij. Voor hemzelf gaat dat statement in ieder geval op. Hij kijkt nu wezenlijk anders aan tegen een aantal zaken dan jaren geleden. Zo zou hij zich nu niet meer teweer stellen tegen de opvoering van Fassbinders omstreden toneelstuk 'De stad, het vuil en de dood'. Destijds hoorde Van de Kamp bij de felle tegenstanders. Maar hem is gebleken dat “de joodse gemeenschap best in staat is zich weerbaar op te stellen zonder dat zij door een rabbijn in bescherming wordt genomen. En om je weerbaar op te stellen moet je toch tenminste kennis kunnen nemen van dat stuk”.

Ook de actuele discussie over het al dan niet toekennen van een Yad Vashemonderscheiding aan de SS' er Zündler is voor de rabbijn een teken dat er door het verstrijken van de jaren veel kan veranderen. Een dergelijk eerbetoon verlenen aan een ex-SS'er was voor Van de Kamp lange tijd ondenkbaar. “Totdat ik erachter kwam dat andere joodse medeburgers daar heel anders over dachten. (. . .) De tijdspanne van een halve eeuw heeft het mogelijk gemaakt om over dingen te praten die ooit taboe waren.”

Bezeten wereld

Ook het Centraal Weekblad blikt vooruit - door de ogen van hoofdredacteur prof. dr. K. Runia, die er meteen op wijst dat “wij mensen niet zo ver vooruit kúnnen kijken. (. . .) Zelfs mensen die met horoscopen of tarot-kaarten werken houden zich wat de toekomst betreft vaak op de vlakte. Niemand weet echt wat de toekomst zal brengen.” Daarom kan een mens hooguit van verwachtingen spreken, vindt hij.

Wat 'de wereld' betreft zijn die verwachtingen, afgaande op de recente ontwikkelingen ook voor Runia niet om vrolijk van te worden. “Het blijft, om met Huizinga te spreken, een 'bezeten wereld'.”

En wat de toekomst van de kerk zal zijn? “Geen mens die het weet.” Deze somber-berustende woorden ten spijt is Runia toch van één ding zeker: “we moeten niet negatief worden. (. . .) Misschien moeten we naar heel nieuwe vormen van kerk-zijn in deze beeldcultuur zoeken. Zeker zullen we op de een of andere manier de drempel naar de kerk en de kerkdienst moeten verlagen.”

Ook noemt hij in zijn nieuwjaarsartikel het Samen-op-Wegproces, waarvoor 1995 een cruciaal jaar wordt. Runia denkt soms dat er te veel tijd in deze kerkfusie wordt gestoken. “We zijn eigenlijk veel te veel naar-binnen-gekeerd bezig. Als we alle energie die we in dat proces steken eens gebruikten om een kerk-voor-de-samenleving te zijn?” En als we dan ook en passant eens wat duidelijker waren over de betekenis van het bijbelse evangelie, dan zou het er in de ogen van Runia weer een beetje op gaan lijken.

In datzelfde Centraal Weekblad mogen nog meer mensen hun verwachtingen voor 1995 aan het papier prijsgeven. Bij voorbeeld Kees van der Horst. De president van de lutherse synode grijpt de gelegenheid aan om zijn paaltjes te slaan ten aanzien van Samen-op-Weg.

Hij wijst op het “lutherse saamhorigheidsgevoel” en de “sfeer van verdraagzaamheid” waarin de positie van vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele predikanten geaccepteerd is. Voor deze lutherse verworvenheden moeten wel voldoende waarborgen zijn in de verenigde kerk, waarschuwt hij. Ook zullen de lutheranen nooit kunnen instemmen met maatregelen van tucht rond doop en Avondmaal. Het is maar dat de fusiepartners het alvast weten . . .

Om nog even bij de lutheranen te blijven, Ange van der Veer, hoofdredacteur van elk, het maandblad van de evangelisch-lutherse kerk, ziet in haar nieuwjaars-column om in heimwee naar het gevoel van vroeger, hoe naïef dat ook was. “Vroeger was elk Nieuwjaar voor mij een nieuw begin. (. . .)Boordevol goede voornemens begon ik eraan. De illusie hield niet lang stand. (. . .) Er veranderde bitter weinig in het nieuwe jaar. Toch heb ik nog vele 'Nieuwjaren' geloofd dat het paradijs voor het grijpen lag, met een heilig geloof en een heilige wil”. Van der Veer wenst haar lezers en haarzelf voor 1995 toe “dat we het verlangen naar het paradijs niet zullen verliezen.”

Zulk een 'naïef geloof' zul je in De Waarheidsvriend, het weekblad van de Gereformeerde bond (ter rechterzijde in de hervormde kerk) niet licht aantreffen. Dr. ir. J. van der Graaf sluit met zijn bespiegelingen over 'de ondergang van het avondland' naadloos aan op de sombere oudejaarsbijlage van het Reformatorisch Dagblad van vorige week. “Aan het begin van het nieuwe jaar - wéér een jaartal dichter bij het einde van de twintigste eeuw - is er geen enkele reden om optimistische tonen aan te slaan.” Bijbels gezien is daar ook geen enkele reden toe, vervolgt hij, want “de Schrift tekent ons de toekomst ernstiger af dan de meest pessimistische cultuurcriticus vermag te doen.” Maar één troost rest ons volgens Van der Graaf nog, “nu het avondland - het westen - naar de ondergang neigt”: “ooit daagde het in het oosten, omdat daar ooit een Kribbe en een Kruis stonden en daar een Open Graf lag.” Met hoofdletters en de nadruk op ooit.

mailIcon print |