*

 
dossier

Archief

's Avonds is het plein van de boeven

ILONA EVELEENS − 08/09/98, 00:00

Al sinds de oudheid is het plein dé plek in de stad waar hét gebeurt. In deze serie belicht Trouw het plein als spiegel van de stad. Vandaag: het Nkrumah-plein in Nairobi.

'Mungu ni mkubwa. Fuata yeye!' schalt het uit de megafoon. De straatprediker herhaalt het telkens weer: 'God is groot. Volg hem!' Vol vuur spoort hij de kring van zo'n dertig toehoorders aan om een godvruchtig leven te leiden. “Ik loof God bij voorkeur op het Nkrumah-plein”, vertelt Joseph Obossi. 's Nachts werkt hij als bewaker bij een welgestelde familie in een buitenwijk van Nairobi. Overdag predikt hij. “Er zijn hier veel kantoren en tijdens de lunch gaat iedereen de straat op. Mijn bereik is dan groot.”

Als zijn groep toehoorders tegen twee uur slinkt, pakt hij de megafoon in een sporttas. Hij gaat naar zijn huis in een van de krottenwijken van Nairobi, ver weg van het glas en beton in het stadscentrum.

Joseph Obossi wil nog wat slapen voor hij weer zijn post inneemt bij het hek van zijn werkgevers. Een eenzame baan waarvoor hij een karig loon ontvangt. Met een brede glimlach zegt hij: “Ik zal nooit veel geld verdienen. Dat is ook niet nodig. Ik heb toch God. Ik ben een gelukkig mens want ik kan overdag preken en dat is mijn lust en leven.” Luisteren naar straatpredikers is een geliefd tijdverdrijf van Kenianen. In parken en op pleinen staan steevast tussen de middag mannen en vrouwen het evangelie te verkondigen te midden van devote toehoorders.

Niet iedereen is blij met de straatpredikers. Op de zesde verdieping van het Uchumi-gebouw aan het plein huist de Nederlandse ambassade. Ambassaderaad Kees Rade wordt af en toe wanhopig van de evangelisten. “Probeer maar eens te werken met die keiharde geluidsinstallaties. Ik heb wel eens iemand aan de telefoon gehad die me vroeg of die meneer in mijn kamer even zijn mond wilde houden. Het is vooral lastig als Nederland voorzitter is van de Europese Unie en de ambassadeurs regelmatig op bezoek komen voor overleg.”

Het Nkrumah-plein ligt in het hartje van de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Vlakbij bevinden zich diverse ministeries en de Centrale Bank. Sommige mensen slenteren over het plein en lijken niet geplaagd door enige werkdruk. Anderen haasten zich met snelle passen voort in de schaduw van gebouwen en bomen. Op het kleine grasveldje naast het Uchumi-gebouw slapen twee straatkinderen. Naast de kleinste jongen ligt een leeg plastic flesje. Daarin heeft lijm gezeten. Het snuiven neemt de honger weg en geeft een kick in een jong en rampzalig leven.

Honderden straatkinderen bevolken het centrum van Nairobi. Ze wekken medelijden maar ook vrees. Mary Onyango is secretaresse op een advocatenkantoor aan het Nkrumah-plein. “Ik draag nooit sieraden op straat”, vertelt ze. Soms omringen een stuk of tien straatkinderen je en gappen alles van je lijf wat los en vast zit.”

Mama Julius, zoals de straatventster zich voorstelt, mengt zich in het gesprek. Zij verkoopt zuurtjes en sigaretten - per stuk wel te verstaan - vanaf een houten doos op de grond. “Sommigen van die kinderen worden door de ouders de straat opgestuurd. Ze hebben geen geld om hun kroost te eten te geven.”

De twee slapende straatjongens hangen volgens haar altijd rond op het plein. Het is hun thuis geworden. Als mama Julius wat ugali (maïsmeelpap) over heeft van de vorige avond, neemt ze het mee naar haar verkooppunt. “Ik geef het aan die twee, uit medelijden, maar ook uit voorzorg. Ik houd ze liever te vriend dan dat ze mijn waren gaan stelen."

Het Nkrumah-plein en de gelijknamige straat zijn genoemd naar de eerste president van de west-Afrikaanse staat Ghana. Dat land kreeg in 1957 als eerste in sub-sahara Afrika zijn onafhankelijkheid. Kwame Nkrumah leidde aanvankelijk een van de sterkste Afrikaanse economieën, die evenwel enkele jaren later stagneerde. In 1966 werd hij afgezet. In de geschiedenis staat hij te boek als een van de belangrijkste pan-Afrikaanse nationalisten. Veel mensen hebben geen flauw benul wie Nkrumah was. “Het moet een president zijn geweest. Straten in deze buurt dragen allemaal de naam van Afrikaanse staatshoofden. Maar van welk land, weet ik niet”, zegt Whycliff Kosgey.

Hij bedient in het chique Japanse restaurant in een van de gebouwen aan het plein.

Terwijl de meeste werknemers tussen de middag genieten van enige vrije tijd, is de lunchpauze voor Whycliff Kosgey juist de drukste tijd van de dag. Kantoormensen komen dan sushi of andere Japanse lekkernijen eten. “'s Avonds hebben we niet veel werk. Mensen mijden dan het stadscentrum. Nairobi is een criminele stad en 's avonds is het centrum in handen van boeven”, weet de ober.

Tussen vijf en zes uur 's middags stroomt het stadscentrum leeg. Bij het vallen van de duisternis ligt het Nkrumah-plein er nagenoeg verlaten bij. Slechts enkele straatkinderen zijn er nog. Ze stoken een vuurtje van afval om warm te blijven. De nachtwakers verschansen zich achter het traliewerk waarmee de ingangen van de kantoorgebouwen zijn beveiligd.

Bij het eerste ochtendgloren zal het plein weer tot leven komen, als de krantenverkopers hun posities innemen om het laatste nieuws te verkopen.

mailIcon print |