*

 
dossier

Archief

'PASSIE VOOR FILOSOFIE' HERLEEFT IN FRANKRIJK

Door: redactie − 27/01/96, 00:00

Magazine Littéraire, nr. 339, januari. The Times Literary Supplement, 'France: The end of his (Mitterrand's) era', 19 januari.

Uitgevers in deze sector bedienen een groeiende markt. De academische marktleider, Presses Universitaires de France, heeft twaalf wijsgerige series in zijn fonds. Honger naar letters voor de geest heerst eveneens buiten de universiteiten.

Van André Comte-Sponville's Petit traité des grandes vertus (Kleine verhandeling over de grote deugden) zijn al 150 000 exemplaren verkocht. Een roman over de Franse intellectuele geschiedenis sinds 1945, La putain du diable, leverde schrijfster Catherine Clément al vóór de verschijning (deze maand) her en der interviews op. De titel is ontleend aan de kerkhervormer Luther, die de rede hoonde als 'de hoer van de duivel'. Clément geeft haar een ereplaats. De internationale bestseller De wereld van Sofie, van Jostein Gaarder, vindt ook in Frankrijk een gretig onthaal. In het Magazine Littéraire neemt een academische historicus van de wijsbegeerte, Christian Delacampagne, daar overigens hooghartig hoofdschuddend kennis van. De Franse kloof tussen universitaire en populaire filosofie is nog diep. 'Aan de Franse universiteiten wordt weinig aan filosofie gedaan', zegt prof. Alain Renaut van de Sorbonne, 'maar buiten de universiteiten helemaal niets'.

Philosophie, la nouvelle passion constateert het maandblad niettemin op zijn omslag. Ter verklaring voert het aan dat de tijd van de grote systemen en de mediagenieke voor-denkers - Sartre met zijn bril, de baardige Bachelard, Foucault met zijn glimmende schedel - voorbij is. “Iedereen moet nu zelf kiezen, beslissen en zijn gedrag bepalen.”

Het is vooral de philosophie morale, arena voor ethische vragen, waarop de nieuwe hartstocht zich richt. Het Magazine Littéraire noemt daar, bij monde van diverse medewerkers, allerlei gronden voor. De barbarij in Bosnië. Andere ontgoochelingen in Oost-Europa, waar dissidenten die voor recht en waarheid streden, beloond werden met een vrije markt waar “alle waarden gelijk zijn omdat geen enkele meer iets waard is”. Wantrouwen jegens de technisch-wetenschappelijke 'vooruitgang', gepredikt door o. a. biotechnologen die de marxistische belofte van een sociaal-economisch duizendjarig rijk hebben vervangen door een neurologische heilsboodschap. Het optreden, ook in eigen land, van een technocratische overheid zonder bezielende visie.

De mensen stellen zich méér vragen dan hun grootouders, meent Delacampagne. Ze begeren instrumenten om zich inzicht te verschaffen in hun tijd. Prof. Dominique Folscheid valt hem bij; een beroemde uitspraak van Marx wordt tegenwoordig omgekeerd: in plaats van de wereld te veranderen wil men haar begrijpen en beoordelen.

Dat in Frankrijk filosofie - om het eigentijds te formuleren - beter in de markt ligt dan elders, hangt ook samen met de inrichting van het voortgezet onderwijs. De lycées, die hun leerlingen uit een veel breder publiek recruteren dan enkele decennia geleden, hebben in de hoogste klassen van de literaire afdeling nog altijd acht uur filosofie op het weekrooster staan. Voor de eindexamengroepen van de natuurwetenschappelijke afdeling is het aantal recentelijk verhoogd van drie naar vier.

Van een gold rush naar de universitaire filosofie-faculteiten is overigens geen sprake. Renaut vindt dat niet verwonderlijk. Ook in Frankrijk zijn de universiteiten vooral instellingen voor hoger beroepsonderwijs geworden. Ze worden minder beoordeeld op hun bijdrage aan de intellectuele ontwikkeling van de studenten dan op het sociaal-economisch rendement van een diploma.

ALS EEN FRANSMAN EUROPA ZEGT, DENKT-IE FRANKRIJK

In het dossier van het Magazine Littéraire valt een enkele keer een wat nationalistische ondertoon op, die je onder hedendaagse filosofen niet zou verwachten. Zo noemt Delacampagne het een kernvraag, of in het internationale concert waar het filosofische debat steeds meer op gaat lijken, ook 'de grote Franse stemmen' zullen blijven klinken. Maar misschien is enige verbazing daarover naïef. Wanneer de Gaulle 'Europa' zei, dacht-ie 'Frankrijk', constateerde ooit een Britse premier, Harold Macmillan. Nog altijd is een sterke mate van franco-centrisme kenmerkend voor de Franse kijk op het buitenland.

In een recent themanummer van The Times Literary Supplement over Franse literatuur en filosofie werkt Robert Tombs, van St John's College in Cambridge, die gedachte met enige ironie uit. Sinds Napoleon zien de Fransen Europese eenwording als een middel om de macht van Frankrijk te vergroten en hun economische en sociale stelsel te behoeden voor 'oneerlijke' concurrentie van landen die armer zijn of doelmatiger werken. En wat ze er vooral van verwachten, is bescherming tegen een buurland dat volkrijker en economisch machtiger is - Duitsland dus.

Vele Fransen hebben behoefte aan de overtuiging dat hun natie de eerste viool zou moeten spelen in Europa. Hun onafhankelijke kernmacht symboliseert aanspraken op althans het militaire leiderschap in dit deel van de wereld, en dus - om de Franse gedachtengang even te volgen - op politieke gelijkwaardigheid aan Duitsland. Vandaar dat de Franse regering zo pijnlijk getroffen werd door de kritiek, en in het bijzonder de Duitse, op haar proeven met kernwapens. Daarin proefde ze “een afwijzing van de rol die Frankrijk zich heeft aangemeten, en een gebrek aan belangstelling voor de Franse visie” van een onafhankelijke, door Parijs aangevoerde supermacht Europa.

Uit de behoefte om zich met Duitsland te meten, verklaart Tombs ook dat Frankrijk zo strikt vasthoudt aan de Duitse criteria voor een monetaire unie. Vandaar dat de Franse regering het niet over haar hart kan verkrijgen, verzachting van die criteria of verruiming van het tijdschema te eisen. Dan zou ze immers toegeven dat Frankrijk zwakker is dan Duitsland; ze zou afglijden naar “de buitenste duisternis”, waar zich landen als Italië en Spanje bevinden.

mailIcon print |