*

 
dossier

Archief

De verwende oogappels van de kerk

HENK VAN BREUKELEN − 10/11/95, 00:00

De auteur is landelijk voorzitter van de beroepsvereniging voor katholieke pastores.

Het gaat over esprit du clergé: spiritualiteit van de priesterkaste. Mijn oren tuiten. Ik hoor verhalen over de sporadische jonge priesters. Door de negatieve uitval - of de natuurlijke uitval als dat beter klinkt - is er onder hen een hoog percentage met een gezagstrauma ten aanzien van hun eigen vader.

Het zijn eigenwijze, dikwijls talentvolle jongens, voor wie het priesterschap en vooral de liturgie en de preek allereerst iets artistieks inhouden. Ze dragen de gewaden met zwier. Als het gaat over de sociale dimensie van de kerk zijn ze niet thuis. Het kruis in zijn stinkende vorm van gemartelde mensen houden ze zich van het lijf. Ze kunnen slecht met mensen omgaan tenzij deze mensen zich echt aan hen onderwerpen. Want elke verhouding vertalen ze tot een dans om de macht.

Geadoreerd

Ze zijn zeldzaam en dus zeer gezocht. Men is zuinig op hen. Waar vind je nog een priester? Ze zijn de toekomst van de kerk. Ze worden geadoreerd door velen. Men vergaapt zich aan hun voorkomen, hun gemakkelijke omgang, hun mooie gebaren en kunstzinnige preken.Kerkbesturen en werkgroepen worden er daarentegen gek van, lopen weg. Want ze kunnen niet samenwerken, alleen maar dirigeren.

Dit verhaal komt van de Franse delegatie. De Duitsers en Brazilianen vallen bij vanuit een sterke herkenning van de eigen situatie. Mij wordt gevraagd te vertellen over Nederland. Ik spreek over de convicten. Over de voorkeur van de meeste parochies om een priester te krijgen, liever dan een pastorale werker en zeker liever dan een pastorale werkster. Niet omdat ze een werkster minder vinden dan een werker, maar een werker oogt tenminste nog iets meer priesterlijk bij bedieningen en dergelijke.

Ik spreek over het beleid in de meeste bisdommen om pasgewijden nog niet de eindverantwoordelijkheid voor de parochie toe te vertrouwen. Ze moeten eerst vijf jaar onder supervisie rijpen tot volwassen mannen die hun zware taak aankunnen.

Maar wie heeft dan ondertussen de leiding? In uitzonderingsgevallen komen ze bij een ervaren priester. In de meeste gevallen wordt er wel een parochieleider op papier aangesteld, de deken bij voorbeeld, maar deze deservitor is ver weg.

'De echte'

De pastorale werker die in feite de opdracht heeft om de jonge collega in te werken komt in een onmogelijke situatie. Want zijn jonge vriend straalt aan het altaar en wordt toch door de parochie gezien als de echte. Als er moeilijkheden komen omdat de jongeman toch nog niet geleerd heeft wat zijn plaats is, hoe met mensen om te gaan, trekken de pastorale werker en ook het kerkbestuur aan het kortste eind.

Juist in dergelijke gevallen is het voor het kerkbestuur onduidelijk waar zijn bevoegdheid ligt. En de deservitor, de priester die de eindverantwoordelijkheid heeft? Ook hem is goed bijgebracht dat we zuinig moeten zijn op onze zeldzame bloemen. Hij ontwijkt de moeilijkheden.

De pastorale werker verdwijnt uit het beeld nadat eerst getracht is hem de schuld van de moeilijkheden in de schoenen te schuiven. De pastorale werkers moeten de eerste vijf praktijkjaren trainingen en cursussen volgen en staan onder supervisie. Voor de jonge priester geldt in principe hetzelfde, maar in de praktijk zijn ze bij deze trainingen en supervisies zelden aanwezig. Ze hebben altijd wel een huwelijk in te zegenen of een uitvaart. Ze worden ook geen lid van een beroepsvereniging.

Wat doet de priester die van verre de eindverantwoordelijkheid draagt en bekleed is met de mooie titel deservitor? Hij doet zijn best maar hij kan niet veel, want de jonge collega ontsnapt hem en hij kan toch geen inhoud geven aan de functie. Hij heeft bovendien zijn handen vol aan zijn eigen werk, zijn eigen parochie(s). En in het conflict heeft hij geen eigen gezicht.

En wat doet het bisdom? Het bisdom voelt nattigheid, weet dat het zelf te weinig stringente en overtuigende leiding geeft. Het bisdom wacht af en bidt waarschijnlijk en hoopt dat alles goed zal aflopen, en weet niet wat het ermee aan moet. Het bisdom grijpt bijna altijd pas in als het veel te laat is, als het zelf door de beledigingen geraakt wordt.

Spanning

Het bisdom weet namelijk dat deze nieuwe collega's niet tot overleg bereid zijn, omdat ze zelfs niet aarzelend kunnen vermoeden dat ze het misschien niet helemaal bij het goede eind hadden. Het bisdom is ook bang want ze zullen zelfs de pers, radio en tv inschakelen om de spanning tot een climax te voeren. En daar heeft het bisdom geen wapen tegen. De bestuursstructuur is daarvoor te gelaagd. Maar ook omdat het boter op het hoofd heeft, want het heeft deze mannen opgeleid en een spiritualiteit bijgebracht en ze gewijd. Men krijgt een koekje van eigen deeg.

Ik stop wat aarzelend met mijn verhaal want het is niet mis wat ik zeg, maar de Franse, Duitse en Braziliaanse priesters knikken en zeggen: we hadden het zelf gezegd kunnen hebben. Als beroepsvereniging roepen we al jaren om een goede omgangscode. Een priester hoort oog te hebben voor de positie van medewerkers, vrijwilligers en soms na jarenlange bezinning opgebouwde structuren. Maar in feite moet o zo vaak het geheel zich maar aan de nieuwe priester aanpassen.

De beginfout ligt al in de opleiding. Onze kerk kent eigenlijk geen democratische cultuur. En die jongens in de convicten worden opgeleid en spiritueel gevormd in een autoritaire werkelijkheid, al wordt het nog zo lieflijk verpakt. Maar dat is toch niet goed voor hen! Ze zullen terechtkomen in een kerk waar mensen op een andere manier met elkaar omgaan.

Gezagsgetrouw

Het bisdom wil daar nog niet echt aan. Het valt me op dat de pastorale werker die zelf ook autoritair denkt, en gezagsgetrouw is, grotere waardering oogst bij de kerkelijke leiding dan zijn collega's. Alsof die taal toch beter verstaan wordt.

De pastorale werker daarentegen die een levende gemeenschap wil respecteren, ziet vaak dat zijn werkplek afgebroken wordt omdat hij totaal afhankelijk is van de priesterlijke goedkeuring - zonder beroepsmogelijkheid. We hebben binnen de VPW met ons bureau arbeidsverhoudingen al heel wat brokstukken moeten opvangen. Dan denk ik aan mensen die buiten eigen schuld aan de kant gezet zijn omdat de structuur niet deugt. De kerkleiding heeft alle schuld hiervoor afgeschoven.

Nu zien we iets nieuws gebeuren, zelfs enkele malen achtereen de laatste weken. De jonge priesters, de oogappels van de kerk, vertonen verwende maar ook pathologische trekjes. Ze staan nu in hun hemd. Zou de kerk nu onderhand gaan begrijpen dat het zo niet langer kan, dat jeugd geofferd wordt aan een eigenlijk fossiele structuur? Je kunt het niet hard genoeg zeggen, want ook die jonge priesters zijn kinderen van ons. En ons geduld is op. We zijn het meer dan zat.

Waar blijft de dialoog die ons beloofd is? Het viel me op dat die jonge Carmelitessen, levend ver van de wereld zoals dat zo mooi heet, heel goed begrepen waar we het over hadden.

mailIcon print |