*

 
dossier

Archief

'Sag an, wer lehrt dich Lieder?

PETER VAN DER LINT − 16/01/97, 00:00

De componist die vanuit de piano de forel laat opspringen, die de ijzige kou voelbaar maakt waarin de lierdraaier zijn trieste lied zingt, de componist van het 'Ave Maria' en van 'Die junge Nonne', ook de schepper van de 'himmlische Lünge' in zijn symfonie in C, die componist werd op 31 januari 1797 geboren: Franz Peter Schubert. In vier donderdagse afleveringen leven we naar die verjaardag toe. Vorige week over zijn 'Liebes Klavier', deze week over zijn 'Geheimnis', zijn 'Lied'.

Ziehier het kenmerk van een groots lied: tekst, melodie en begeleiding, samengesmolten tot een unieke nieuwe vorm. Goethe, die de beroemde 'Meine Ruh ist hin'-regels in zijn 'Faust' neerschreef, vergeleek de toonzetting van een gedicht met een ballon. Een ballon die voor iedereen zichtbaar kon opstijgen. Met behulp van zang kon de dichtkunst in Goethe's visie meer mensen bereiken.

Meer dan zeshonderd van die ballonnen heeft Franz Schubert in zijn korte leven op laten stijgen. Van 1811, toen de veertienjarige Schubert zijn eerste lied 'Hagars Klage in der Wüste Bersaba' neerschreef, tot oktober 1828, toen hij één maand voor zijn dood 'Der Hirt auf dem Felsen' componeerde, heeft de componist die zeshonderd ballonnen gevuld met zijn hemelse inspiratie.

Het getal zeshonderd is op zich niet eens zo indrukwekkend. Schuberts directe voorgangers in de liedcompositie waren eveneens veelschrijvers. Johann Friedrich Reichardt componeerde maar liefst vijftienhonderd liederen en van Johann Rudolf Zumsteeg, Schuberts grote voorbeeld in zijn jeugdjaren, zijn meer dan driehonderd ballades en liederen bekend. Wel is indrukwekkend dat Schubert de simpele, volkse strofe-liederen van Reichardt en de sentimentele, op effect gecomponeerde ballades van Zumsteeg omvormde tot een geheel nieuwe kunstvorm.

Zo revolutionair was die omvorming dat Schubert als avant-gardist werd beschouwd; miskenning dus! Goethe bijvoorbeeld, de door Schubert zo bewonderde dichter, was een groot aanhanger van het Reichardtse strofe-lied en wist zich geen raad met de grootsheid van 'Gretchen am Spinnrade' en 'Erlkönig'.

'Gretchen am Spinnrade' werd gecomponeerd in 1814, één jaar voor wat Schuberts biografen zijn annus mirabilis, het wonderjaar in de liedkunst noemen. Met 'Gretchen' begint Schuberts ontdekkingstocht naar hoe je de inhoud van een tekst muzikaal verwoordt. De onrust van Gretchen, zittend aan haar spinnewiel, vindt een perfecte weerklank in de immer rondtollende pianobegeleiding.

De beroemdste pianobegeleiding, berucht onder pianisten, is ongetwijfeld die van 'Erlkönig', het lied der liederen uit dat wonderbaarlijke jaar 1815. De ongenadig hamerende triolen verklanken perfect de koortsachtige rit te paard van een vader met zijn doodzieke, ijlende kind. In opzet en tekst hebben we hier te maken met een ballade, maar 'Erlkönig' is mijlenver verwijderd van de ballades van Zumsteeg.

Schuberts unieke plaats in de geschiedenis van de liedkunst dankt hij dus aan zijn revolutionaire ideeën omtrent de pianobegeleiding, maar ook aan de enorme variëteit die hij in zijn liederen tentoonspreidde. Een op het oog simpel liedje als 'Heidenröslein' duurt amper twee minuten, terwijl 'Der Tod Oscars' meer dan het tiendubbele in beslag neemt. De al genoemde begeleiding van 'Erlkönig' is extreem lastig terwijl er in 'Meeres Stille' nauwelijks iets lijkt te gebeuren in de begeleiding. Hoe prachtig is het voorspel tot 'Wiegenlied' op een tekst van Johann von Seidl. Op zich een simpel, nogal lang en sentimenteel gedicht. Goethe's opmerking over de ballon gaat hier echter schitterend op, want Von Seidls gedicht, beginnend met:

“Wie sich der üuglein Kindlicher Himmel, Schlummerbelastet Lüssig verschließt!-”

krijgt hier van Schubert waarlijk vleugels. Schubert bereikt vaak grandioze effecten met minimale middelen. Bekend is zijn inventieve gebruik van mineur- en majeur toonsoorten pal naast elkaar. Op papier ziet het er simpel uit, maar in de oren klinkt het magisch. 'Auf dem Wasser zu singen' is wat dat betreft een topvoorbeeld.

In het al genoemde 'Meeres Stille' op tekst van Goethe (ik heb het over de tweede versie uit 1815) springt Schubert uiterst geraffineerd met ons gevoel voor tijd om. Het lied is slechts één pagina lang, maar met simpele trucjes laat Schubert als het ware elke horizon verdwijnen. Dietrich Fischer-Dieskau schreef dat de partituur van dit lied op een tekening lijkt en inderdaad geven de regelmatige arpeggi in de pianopartij dat idee. Het ziet er regelmatig uit, maar ondertussen moduleert Schubert in haast elk arpeggio (akkoord in gebroken vorm gespeeld zoals op een harp) naar een andere toonsoort, terwijl de zangstem als het ware fluistert om de 'Todesstille' niet te verbreken.

Het is haast onbegrijpelijk dat iemand die in zijn hele leven nooit een zee zou zien, zo perfect de schijnbaar kalme, maar o zo gevaarlijke zee kon verklanken. Het lied eindigt met de regels: “In der ungeheuren Weite, reget keine Welle sich”. Je bent er echter van overtuigd dat niets anders dan rampspoed kan volgen als het lied is afgesloten.

Tekenend is dat Schubert er niet voor koos om Goethe's pendant-gedicht 'Glückliche Fahrt' te verklanken. Beethoven deed dat wel. Ongeveer tegelijkertijd met Schubert zette hij de twee Goethe-gedichten voor groot koor en orkest. Zijn compositie heeft dus een happy ending, die van Schubert niet. Schubert laat het schip op zee. Schuberts lied is spannender, het overtreft met gemak de euforische jubel van Beethoven.

Wonderlijk genoeg was Beethoven Schuberts grote voorbeeld; in alles probeerde hij de Duitser te evenaren. Noch in de symfonieën en strijkwartetten, noch in de geestelijke muziek en de opera lukte hem dat. Juist in de liedkunst wist Schubert zich ver boven zijn illustere tijdgenoot te verheffen.

Schubert is vaak bekritiseerd om de keuze van zijn teksten. Dat is niet helemaal onterecht, maar we mogen niet vergeten dat de componist zeshonderd liederen componeerde. Het was natuurlijk onmogelijk om voor al die liederen evenzoveel goede gedichten te vinden. En toch is er door Schubert geen gedicht op muziek gezet waardoor hij niet op de een of andere manier geraakt werd. “Bij een slecht gedicht roert zich niets.” Het is niet de enige uitspraak van Schubert over zijn teksten. Verscheidene malen heeft hij verklaard hoezeer het wèl of niet lukken van een lied afhankelijk was van de kwaliteit in de tekst die hem tot uitgangspunt diende.

Volgens de eigenzinnige Schubert-biograaf Fröhlich betekent dat ook: hoe sterk de inhoud van een gedicht hem aansprak. Volgens Fröhlich moeten we Schuberts liedcomposities ook vanuit de tekst als persoonlijke uitspraken beschouwen, niet in de laatste plaats omdat Schubert eigenhandig teksten wijzigde, delen schrapte of omgooide.

Schuberts liedkunst bereikt na vele hoogtepunten (bekende, maar ook nog steeds veel onbekende) de top in de cyclus 'Winterreise' uit 1827. De cyclus van vierentwintig liederen op gedichten van Wilhelm Müller was vier jaar eerder voorafgegaan door de cylcus 'Die schöne Müllerin' ook op teksten van Müller. Het idee voor een cyclus speelde in Schuberts hoofd vanaf het moment dat hij in 1816 Beethovens 'An die ferne Geliebte' hoorde. 'Winterreise' heeft hem tot zijn dood bezig gehouden. Nog in de maand van zijn overlijden was Schubert bezig met het aanbrengen van correcties. Zijn naaste vrienden waren geschokt door het pessimisme dat uit de 'Winterreise' sprak. Schubert zelf hield van deze liederen meer dan van al zijn andere en hij voorspelde dat zijn vrienden dat eens ook zouden vinden.

Met deze 'reis' werd een levensoeuvre afgesloten, waarover al in 1816 in voorspellende zin de dichter Johann Mayrhofer in bewondering voor Schubert schreef: 'Sag an, wer lehrt Dich Lieder, so schmeichelnd und so zart? Sie rufen einen Himmel aus trüber Gegenwart.' De titel van dat lied, door Schubert uiteraard getoonzet, is 'Geheimnis'. Hij kende dat geheim door en door.

mailIcon print |