*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (5)

JOS TEMMINK − 07/02/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag. Deel 5.

De dag, die zal eindigen in een hysterische, onbedaarlijke huilbui, begint rustig. Té rustig. Mijn 'opname', die officieel om 11 uur begint, is naar mijn gevoel om drie uur nog niet gestart. De zaalzuster begroet me, wijst me m'n bed en vertrekt met de woorden “de zaalarts en de anesthesist komen zo”. Dat 'zo' duurt nu al vier uur. Verloren uren, waarin alleen mijn zenuwen oplopen. Dan komt de zaalarts. Onderzoekt me en zegt dat er nog wat gevonden is. Maar geen zorgen, ook dat wordt weggehaald. Ik vraag uitleg en krijg dit niet. Op het toppunt van mijn zenuwen roep ik, dat ik G. wil spreken. Als de specialist er is, wil ik uitleg. Het lijkt niet veel erger dan het al is. Maar ik ben inmiddels zo opgefokt, dat ik nú wil weten, wat ik eerder niet vroeg. Hoe lang nog? G. aarzelt, wil geen antwoord geven. Als mijn dochter de vraag herhaalt, zegt hij: “Zo'n twintig procent kans dat het de eerste twee jaar niet terug komt.” In mijn hart weet ik, dat het nu geen geschikt moment is. Maar komt dat ooit? En ik ga door: “En dan?” Aarzelend zegt hij: “Vijf jaar misschien”, om er snel aan toe te voegen “of langer”. Ik neem genoegen met zijn antwoord. Maar ik vervloek mezelf, dat ik juist nu, vlak voor de operatie, deze vraag stel. Ik stop het weg in een duister gebied, voor later. . .

De uren die volgen loop ik verdwaasd de gang op en neer. Ik zie de mensen om mij heen. Iemand met een karretje vol slangen en zakjes, waarvan de vloeistof in een gat in haar keel schijnt te verdwijnen. Een ander probeert al rochelend met behulp van wat een microfoon lijkt, een praatje aan te knopen. De metaal-achtige klanken versta ik niet. Er zijn er die oren of een neus missen. Er zijn er met scheef getrokken monden en een nek die voor de helft verdwenen is. Wiebelhoofden op magere lijven. Ik lijk tante Pollewop wel met mijn 65 kilo. Hier lopen benen rond met 'n dikte van mijn pols. Van de kamers, waar ik in mijn wandelingen langs kom, niets dan rochelende, piepende geluiden, die een weddenschap lijken te hebben met het geluid van de tv's: voetbalwedstrijden, Vijf uur shows en CNN proberen elkaar in decibels te overtroeven.

Ik wacht en wacht en ga er niet op vooruit. De angst belet me te vragen waar iedereen, die me praktische inlichtingen over morgen kan verschaffen, toch blijft. Trillend loop ik van het bed naar de wachtkamer en terug. Snakkend naar een sigaret. Ik lijk wel een junkie die aan het afkicken is.

De boog kan niet altijd gespannen zijn. Voor het eerst sinds 22 januari huil ik. Huilen? Het is een hysterisch, onbedaarlijk geweeklaag. Zelfs de armen van G. om me heen geven geen verlichting. Op de vooravond van mijn operatie komt hij me vertellen, dat er morgen door technische omstandigheden geen grote operatie zal zijn. Er worden alleen wat biopten (stukjes weefsel) weggehaald. Ik zou blij moeten zijn met dit uitstel. Maar ik heb me mentaal zo voorbereid op wat gaat komen. En nu, nu ben ik kapot. Ik wil af van die kanker. Ik voel het letterlijk groeien. Het moet eruit! Er is me toch verteld dat het agressief is? Het moet weg, weg. G. toont begrip, troost en is, zoals ik, machteloos. Hoe lang zitten we hier, in dit spreekkamertje van de afdeling. Een half uur, een uur? Hij weet me te kalmeren, ik weet me te beheersen. Dus morgen alleen biopten. Op zoek naar die ene cel, die eersteling. Die via slinkse wegen uitzaaiingen 'als eieren zo groot' veroorzaakt.

Met een soort goudzoekersmentaliteit zal men te werk gaan. Ze kunnen moeilijk mijn luchtwegen en slokdarm perforeren. Dan klapt het restant in elkaar. Maar zelfs biopten nemen is de moeite waard, weet ik na de eerste emotie. Wie weet vinden ze de boosdoener. Ik wil immers niet nóg uitzonderlijker zijn. Hoewel, het klinkt als het krijgen van dat winnende lot in de loterij. En dat lot heb ik nog nooit getrokken.

mailIcon print |