*

 
dossier

Archief

Dit zijn geen honden, dit zijn wapens

CASPER SCHOEMAKER; STIJN AERDEN − 02/01/96, 00:00

De zondag is een officiële rustdag, nog steeds. Hoe besteden mensen deze vrije dag? Deel 5: De politiehonden-dressuurclub

“Hoor,” zegt een oudere man tegen zijn vrouw. “Ze zijn weer bezig.” Een echtpaar maakt een wandeling door het strookje bos aan de rand van het industrieterrein. Langs het zandpad staan auto's met aanhangers. Sommige zijn leeg, uit andere klinkt opgewonden geblaf.

Het zandpad leidt naar een open plek. Daar omheen staan zo'n tien honden op hun achterpoten te rukken aan hun riem, elk aan zijn eigen boom. Het geblaf en gejank zwelt aan als het echtpaar het terrein op wandelt.

“Chantal!” roept de vrouw. Maar het kleine bruine hondje achter hen heeft zich schrap gezet, midden op het pad. De vier pootjes trillen.

“Pak haar dan op, Gerard!” snerpt de vrouw.

“Heb jij het zo koud, dametje,” zegt Gerard, en bergt het diertje op onder zijn jas. De twee oortjes steken er nog nèt bovenuit.

Aan de rand van de open plek staat een blokhut. De schoorsteen op het schuine dak rookt uitbundig. Gerard tikt met zijn ring op het raam. De leden van de Politie Honden Dressuur Club, die binnen rond een houten tafel zitten, hebben niets in de gaten. Aan de muur hangen ingelijste certificaten: Cursus Politiehond 1 en 2. Op het prikbord hangen foto's van blote dames in ongemakkelijke poses. Aan de tafel daaronder zit een vrouw in een groene legerjas. Met een verveeld gezicht schept ze suiker in haar koffie.

In de hoek, bij de deur, stapt een man in een dik juten pak. Als hij ook zijn handschoenen heeft aangetrokken, geeft hij een korte knik. De overige PHDC-leden knikken terug en komen langzaam overeind.

Als de deur opengaat blaffen de honden oorverdovend.

Opgewonden buitelen ze aan hun riemen.

“Goedemorgen!” zegt de vrouw van het echtpaar. Ze loopt met uitgestoken hand op de man in pak af. “Vindt u het goed als we even blijven kijken?”

Als de man niet reageert, dribbelt ze achter hem aan naar het midden van de open plek. “Neemt u me niet kwalijk,” zegt ze en tikt hem op de schouder. Op dat moment steekt de man een pistool in de lucht en schiet. Vanuit de bosschages stormt een enorme herder op hen toe, die zich vlak voor de vrouw afzet, springt, en zich vastbijt in de bovenarm van de man in pak. De man slaakt een woeste kreet. Hij probeert de hond van zich af te schudden - draait razendsnel om zijn as, zo snel dat het beest van de grond komt.

Uit het bos schalt een stem. “En... lòs, Nero!”

De hond laat los. De man in het pak trekt een handschoen uit en aait hem over de kop. “Braaf,” zegt hij. “Brave hond.”

De vrouw staat als aan de grond genageld.

“Mevrouwtje-mevrouwtje,” zegt een van de PHDC-leden die hoofdschuddend op haar af komt, “dat was niet zo slim wat u daar deed.”

Gerard komt erbij staan. “Het zijn anders wel enthousiaste beestjes, hè,” lacht hij nerveus. “Nog een geluk dat die man een pàk aan had.”

“Mag ik vragen wat u hier komt doen?” De PHDC-er draagt een jagershoedje, dat net iets te klein is voor zijn hoofd.

“We zagen u zo bezig,” stottert de vrouw, “en we dachten... dat is misschien wel wat voor onze Chantal, zo'n hondentraining.”

De man bekijkt het echtpaar streng. “Dit zijn geen honden,” zegt hij en laat een nadrukkelijke stilte vallen, “dit zijn wapens.” Hij dirigeert hen in de richting van de blokhut.

“Hier loopt u ten minste niet in de weg,” bromt hij.

Tijdens de oefeningen wordt niet gesproken. De leden van de PHDC weten wat er van hen verwacht wordt en nemen zwijgend hun posities in. De honden komen één voor één aan de beurt.

Vanmiddag wordt er 'gemanrevierd' - het tot stilstand brengen van een ontsnapte gevangene; 'gekistrevierd' - het vinden van een doos in een afgezet stuk bos; en 'gesteld' - het vasthappen in de bovenarm van de man in pak: de pakwerker.

Niet alle PHDC-ers zijn van de politie. Ze vullen hun vrije zondagmiddag met routine-matig uitgevoerde handelingen.

Misschien nog voorspelbaarder dan het werk dat ze door de week doen, maar dat blijft onduidelijk, want over iets anders dan honden wordt niet gesproken.

“Ik roep één keer, twee keer en de derde keer vallen er klappen,” zegt een man met een pokdalig gezicht. “Ik hoef maar naar d'r te kijken en ze komt al naar me toegekropen.” Even verderop staat een man met een rookworst te zwengelen voor de kop van een dobermann pinscher. Als het dier dreigt toe te happen, zet zijn vrouw stroom op de halsband. “Daar moet u niet van schrikken hoor,” zegt de man met het jagershoedje. Hij is naast het echtpaar komen staan. “We werken hier met twaalf volt - dat is nog minder dan schrikdraad.”

“Wat een schatje,” zegt de vrouw en bukt zich over een mollig herderspupje dat voor de deur van de blokhut staat. “Ja, Caesar moet nog heel wat leren,” zegt de man met het hoedje. “Hè, Caesar.”

Het hondje kwispelt en kijkt de man met grote vragende ogen aan. De man aait met de rand van zijn schoen het honderuggetje, glijdt langs de hals omhoog en geeft het dan, met de punt van zijn schoen, een enorme optater. Daarna volgt nog een trapje tussen de ribben. “Hij is nog niet fel genoeg,” legt de man uit, “daarom moeten we Caesar een beetje aanplagen.” Hij geeft een venijnige ruk aan de riem. Dan richt hij zich tot het echtpaar. “U moet uw hond óók eens meenemen.”

“Dat zullen we zeker doen,” zegt Gerard en duwt schielijk twee bruine hondenoortjes terug onder zijn jas. “Kom Laura, we stappen weer eens op.”

Achter hen zoeft de pakwerker voorbij op een fiets - een Mechelse herder bungelt aan zijn kuit. Gerard neemt zijn vrouw bij de arm en leidt haar het zandpad af, langs de geparkeerde wagens.

“Dit zijn geen honden mevrouw, dit zijn wapens,” fluistert hij met dreigende stem. En daarna, lachend: “Blàffers!”

Terwijl zijn vrouw zwijgend doorloopt, ritst hij zijn jas open en zet Chantal op de grond.

“En... vàst!” schalt hij.

Zijn vrouw blijft stokstijf staan. Ze slaakt een gil.

“Niks aan de hand, Laura,” zegt hij, als hij haar weer heeft ingehaald. Hij legt een arm om haar schouder. “Ik wou je maar wat aanplagen.”

mailIcon print |