Het schijnt dat de inwoners van het Oostblok (toen het nog zo werd genoemd) die in het Westen toch al duizelig werden van de overvloed in onze supermarkten, zich in het bijzonder verbaasden over de variatie in honden- en kattenvoer. Daar kan ik inkomen: het ene nieuwtje ligt nog niet op de planken of het andere kondigt zich aan. Ik moet tot mijn schande zeggen dat ik al dat overbodigs gretig koop, denkende: 'Ach, laat die ouwe van mij toch lekker eten zolang het nog kan en bovendien wil ik hem wel een beetje dikker hebben.' Maar toch betwijfel ik of huisdieren er vroeger in dat opzicht zoveel slechter aan toe waren.
Toen kregen ze etensresten (aardappels, groente, wat jus en, als de bazen het goed met ze meenden, een stukje vlees) plus melk. Die melk werd later in de ban gedaan: katten krijgen er diarree van, wordt gezegd en ik weet uit eigen ervaring dat sommige er inderdaad niet goed van worden, maar de mijne krijgt elke morgen een scheutje room en vaart daar wel bij. Konden ze naar buiten, dan vulden ze hun menu aan met vogels, muizen en kikkers (zo'n half opgevreten kikker vond ik altijd een van de akeligste dingen die er bestonden ) en volgens mij werden ze ongeveer zo oud als nu.
Een van mijn tantes had een rooie kat wier ene poot er door een maaimachine was afgesneden, maar zij wist zich behendig, zij het enigszins spookachtig, voort te bewegen en zij werd vijfentwintig jaar. Al peinzend over de vele katten die ik heb bezeten, in het bijzonder over een lelijke zwarte die ik aankleedde in zelfgebreide hemdjes en waarmee ik ging wandelen in de poppenwagen, dacht ik aan een prachtig requiem voor een kat: 'Die altijd liep bij ons vandaan is thuisgekomen om dood te gaan' en ik barstte in snikken uit. Ik kon niet meer ophouden: telkens als de tranenstroom een beetje weg-ebde dacht ik weer '...is thuisgekomen om dood te gaan...' en ik begon opnieuw.
Nu ja, achter die kat gaan andere schimmen schuil, dat weet ik ook wel, daar heb ik geen psychiater voor nodig, maar er zitten ook herinneringsresten in dat verdriet. Vroeger had je geen honderd-en-één delicatessen voor kat en hond en dat was niet erg, maar je had ook geen artsen voor kleine huisdieren. En dat was wel erg. Er waren veeartsen, in mijn herinnering grote kerels met rode koppen, een sigaar in de mond en zware laarzen aan de voeten, die bij de boeren kwamen als er iets mankeerde aan een koe of een paard. Maar voor katten en honden haalde je ze niet, ze zouden je hebben weggehoond als je het gevraagd had. Toen mijn hondje, een dwergpinchertje, van een stoel viel of sprong en zijn ragdunne pootje brak, kregen we gelukkig de huisdokter zo gek om hem te spalken. Had hij het niet gedaan, dan had het beest ermee rond moeten sjouwen en waarschijnlijk was hij aan infectie gestorven. Ik vergeet nooit hoe mijn moeder de veldwachter smeekte om onze herdershond dood te schieten: het dier kon niet meer lopen van de benauwdheid, maar was zo zindelijk dat hij zich toch altijd naar buiten sleepte. De veldwachter zei, met tranen in de ogen, dat hij zoiets niet kon, schieten op een beest. Dus moest onze Hector langzaam kreperen. De mensen verging het toen trouwens niet veel beter, al kregen zij, als het al te erg werd, morfine van de dokter.
In die tijd studeerde de eerste vrouw af in de veeartsenijkunde. Ik zei dat ik ook veearts wilde worden en mijn ouders vonden dat een uitstekend idee, maar ik kwam er al gauw achter dat ik daar buitengewoon ongeschikt voor was, niet in de laatste plaats omdat ik geen bloed kon zien. Ach, wat een horror-verhalen kan ik vertellen uit die tijd. De aangereden kat die op de straat schor lag te schreeuwen en voor wie ik niets kon doen. Ik stond erbij te huilen, ik smeekte iedereen die langskwam om hem alsjeblieft dood te maken, maar ze liepen schielijk door. En zelf durfde ik het niet en ik wist ook niet hoe. Onze zwarte die jammerend thuiskwam, bloedend uit haar bek. We maakten een zacht nest voor haar en brachten haar voorzichtig naar de zolder, maar de volgende dag was ze verdwenen. 'Weggelopen om ergens in een hoekje te sterven', dachten we, maar het liep warempel goed af. Een week later kwam ze bij ons in de tuin, wierp voor onze voeten drie dode, mismaakte jongen, likte zich schoon en leefde verder alsof er niets gebeurd was. 'Blinder!', zei onze buurman. Toen ik van de week dat oer-Friese woord las, opgetekend uit de mond van een van de ijsmeesters, schoot de kat me weer te binnen. Maar zij was een uitzondering. De boeren maakten er gewoonlijk niet veel stampei over. Als een kat of een hond ziek of erg oud werd, hingen ze hem op of begroeven ze hem levend. Als ik dat hoorde, begon ik te schreeuwen en te stampvoeten, maar later heb ik me afgevraagd of die beesten van ons er in hun laatste dagen en weken zoveel beter aan toe waren. Ze gaven geen geluid meer, ze aten niet meer, ze dronken niet meer, ze leden. Als ik ergens bang voor ben, dan is het voor de tocht naar de dierenarts met een beest dat een spuitje moet hebben. Maar is het niet heerlijk dat het kan? Dat je de doffe ogen, als van ondoorzichtig glas, die zich van je afwenden als je naast ze hurkt, kunt sluiten wanneer de pijnloze dood is ingetreden?
En dan is er, tot troost, dat verhaal van Doris Lessing. Zij woonde, ongeveer in de tijd dat ik jong was, op een boerderij in Rhodesië en er liepen daar hele troepen honden en vooral halfwilde katten rond. Haar moeder zorgde ervoor dat het bestand overzichtelijk en gezond bleef, ze praatte er niet over, ze volbracht haar plicht in stilte en haar man en kinderen dachten dat het vanzelf ging. Tot ze op een dag zei: 'Ik heb dit nu vijftien jaar gedaan, doen jullie het nu maar eens. Ik bemoei me er niet meer mee, zie maar hoe je het redt.' Wel, de man en de kinderen haalden hun schouders op en deden niets. Ze dachten dat alles goed ging, tot er steeds meer jammerlijk gewonde of zieke beesten op hun weg kwamen. Op een vrijdagavond zei de moeder: 'Ik ga morgen weg. Als ik maandag terugkom, wil ik dat alles met de beesten in orde is.' Na het vertrek zat het gezin radeloos bij elkaar, tot de vader ten einde raad alle zieke dieren in een stal dreef en er op begon te schieten. Groen van ellende strompelde hij naar buiten. Toen de moeder terugkwam, zei ze: 'Ik zal het in het vervolg wel weer opknappen, maar doe nooit meer alsof het gewoon is.'
Het feit dat je nu naar een dierenarts kunt gaan, dat er zelfs een doktersdienst voor dieren is, zodat je niet wanhopig de nacht of het weekend in hoeft - dat is een van de redenen waarom ik blij ben dat ik in deze tijd leef.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.