*

 
dossier

Archief

Kinderopvang: vrees voor sluiting wat te snel geuit

PETER LANKHORST − 23/01/96, 00:00

De kinderopvang is de afgelopen jaren enorm gestimuleerd. In een tijd dat er door de overheid op van alles en nog wat werd bezuinigd, ging er meer geld naar de kinderopvang. Met name de vorige minister van welzijn, Hedy d'Ancona, heeft daar hard voor gestreden. Het resultaat mag gezien worden. Er zijn in het gehele land veel nieuwe kinderdagverblijven bijgekomen. In Bos en Lommer zijn er nu drie. De mooiste heb ik in '94, toen ik net dagelijks bestuurder was geworden, mogen openen.

Het was dan ook schrikken toen een van de huis-aan-huis-bladen de afgelopen week opende met de kop: “Impuls vreest sluiting kinderdagverblijven.” De aandachtige lezer ontdekte gelukkig al snel dat die mededeling al te royaal was uitgevallen. De stichting Welzijn Impuls, die verantwoordelijk is voor de kinderopvang in ons stadsdeel, kondigde niet de sluiting van twee kinderdagverblijven aan, maar van twee groepen. Maar ook het opheffen van twee groepen is na de stimulering wel erg rigoureus en wat mij betreft ook te rigoureus. Want hoewel de stadsdeelraad dit jaar een kleine twee ton minder aan subsidie geeft, ga ik er nog steeds vanuit dat het aantal plaatsen in de kinderopvang niet hoeft te verminderen. Maar de stichting Impuls denkt daar anders over. We hebben dus een probleem.

Wat is het geval? De rijksoverheid heeft besloten de gelden voor de kinderopvang over te dragen aan de gemeenten. In Amsterdam betekent dat overdracht aan de stadsdelen. Dat gaat gepaard met de nodige bezuinigingen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat tegenover een rijksbezuiniging van veertig miljoen gulden een fiscale aftrekmogelijkheid bestaat voor bedrijven, die voor hun werknemers en werkneemsters een kindplaats huren. De fiscale aftrekmogelijkheid moet het verlies aan gesubsidieerde plaatsen compenseren. Als er genoeg bedrijven gebruik maken van de aftrekmogelijkheid is er geen sprake van een bezuiniging van veertig miljoen, maar slechts van een verschuiving in financieringsstromen. De instellingen voor de kinderopvang krijgen minder subsidie van de overheid, maar het bedrijfsleven gaat meer kindplaatsen huren. En per saldo moet dan het aantal plaatsen minimaal gelijk blijven.

In theorie, op landelijke schaal, is zoiets een sluitend verhaal. Of het dat in de praktijk, op gemeentelijk of stadsdeelniveau, ook zo is, is nog zeer de vraag. Onze welzijnsstichting denkt van niet. De bevolkingssamenstelling van Bos en Lommer is nu eenmaal anders dan in de 'gemiddelde' gemeente. Er zijn minder tweeverdieners, minder mensen met een betaalde baan en meer werkzoekenden. En dus, zo redeneert Impuls, zal er van compensatie door bedrijfsplaatsen geen sprake zijn. Ik vind de conclusie te snel getrokken. Vooral ook omdat minister Melkert in zijn armoede-nota geld beschikbaar stelt voor zogenaamde sociale dienstplaatsen. Ouders met kinderen, die een opleiding volgen om hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren, kunnen in aanmerking komen voor een door de sociale dienst betaalde kindplaats. En met een groot aantal werkzoekenden zou dat toch iets moeten opleveren. Maar er zijn meer mogelijkheden. Zo zijn de kinderopvang en de jeugdhulpverlening met elkaar in gesprek geraakt om de krachten te bundelen. Voor de naschoolse opvang biedt dat interessante perspectieven. Maar de financiering daarvan is nog niet geheel rond.

Het meningsverschil met Impuls gaat dan ook vooral over de vraag wie de financiële consequenties moet dragen van de veranderde regelgeving en van de daarmee samenhangende onzekerheid. Een meer zakelijke opstelling tussen overheid en welzijnsinstellingen houdt ook in dat de overheid niet op voorhand kan zeggen dat de tekorten worden aangevuld. Daartegenover staat dat een welzijnsinstelling op tijd de risico's moet afdekken. Als dat gebeurt door groepen op te heffen, is een deel van de stimulering voor niets geweest. En dat kan toch ook niet de bedoeling zijn geweest.

mailIcon print |