*

 
dossier

Archief

Dan breekt de menselijke controle

Koen Koch − 06/11/99, 00:00

Een keer per jaar mag ik zonder dat daartoe een directe aanleiding is, over de Eerste Wereldoorlog schrijven. Ik heb me dat regime opgelegd omdat ik anders misschien wel elke week die oorlog tot onderwerp zou maken, of in ieder geval op listige wijze als voorbeeld zou gebruiken om mijn redeneringen kracht bij te zetten. Het is nu eenmaal zo dat mijn obsessie met die oorlog met de jaren nog steeds toeneemt, en ik wil anderen daar niet het slachtoffer van laten worden. Maar het is november, de poppies zitten weer op de revers van de BBC-presentatoren en ik leef weer met de oorlogsdichters Sassoon en Owen, en nog meer met al die naamlozen die zomaar verdwenen in het zompige niemandsland rond Ieper of verpulverd werden in een fort bij Verdun.

De clichés over de Eerste Wereldoorlog, de loopgraven, de modder, de slachtpartijen jaar na jaar, zijn juist. Daarom zijn het ook clichés. Deze beelden zijn, zelfs bij diegenen die slechts uit hun kennis van het bestaan van de Tweede Wereldoorlog afleiden dat er ook een Eerste moet zijn geweest, op het netvlies geëtst. Maar zij zijn van zo'n gruwelijke enormiteit dat zij een obstakel vormen om de werkelijkheid achter die loopgraven te begrijpen. Hoe meer de nadruk gelegd wordt op de gruwelijkheid van de loopgraven, des te verder raken we verwijderd van de vraag hoe het mogelijk was dat betrekkelijk beschaafde samenlevingen dit elkaar vier jaar hebben aangedaan.

De clichés van de loopgraven moeten we weg krabben om zicht te krijgen op het karakter van de samenlevingen die de loopgraven mogelijk maakten, onze samenlevingen dus.

Wat me op het ogenblik fascineert, is de groteske discrepantie tussen beheersing en onbeheersbaarheid. Engeland, Frankrijk en Duitsland waren in staat de hele samenleving voor de oorlogvoering te organiseren. Maanden werd gewerkt aan de voorbereiding van een aanval, spoorwegen werden aangelegd om manschappen en munitie aan te voeren, honderdduizenden stonden op het afgesproken uur op de vastgestelde plaats gereed.

Maar dan breekt de menselijke controle, op het slagveld zelf is er in plaats van beheersing onbeheersbaarheid. De strijdende partijen verzamelen aan de frontlijn grote aantallen artillerie van onmogelijk zwaar kaliber, soms wel een kanon op elke tien meter frontlijn, de industrie produceert miljoenen granaten, maar de communicatie tussen de oprukkende infanterie en de ondersteunende artillerie verloopt vooral door postduiven, honden en menselijke bodes wier levensverwachting overigens zeer gering was. Dat ging dus bijna altijd fout.

Het ontbrak aan het vermogen de enorme vuurkracht waarover men was gaan beschikken, te beheersen. Tussen de technologie van de vernietiging en de menselijke beheersing daarvan was een onoverbrugbare kloof ontstaan, zoals eerder en ook later het geval is geweest. Velen waren zich van die machteloosheid bewust. Edmund Blunden schrijft naar aanleiding van de slag van de Somme dat de soldaten meenden dat de Oorlog, niet zij zelf of hun tegenstanders, gewonnen had; en dat de Oorlog zou doorgaan zolang de strijdende partijen nog soldaten naar het front konden sturen.

Hun gelijk wordt pijnlijk bevestigd door William Robertson, chef van de generale staf, die in 1917 erkent dat hij geen enkel argument heeft om met de suïcidale offensieven bij Passchendaele door te gaan, maar dat toch doet omdat hij niets beters kon bedenken. Dat zijn verschrikkelijke woorden, commentarieert Winston Churchill, om het offer van vierhonderdduizend mensen te rechtvaardigen.

Churchill zelf was verantwoordelijk voor het bloedbad van Gallipoli, dat tienduizenden Australiërs het leven kostte.

mailIcon print |