1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
Dat vind ik wel een prettige, eenvoudige instelling. Ooit was mijn moeder katholiek geweest. Haar vader stierf toen zij zestien was. Na zijn overlijden kwam de priester alsmaar bij mijn oma langs. Die wilde haar weer aan een ander koppelen, opdat daar weer katholieke kindertjes van kwamen. Ik kan het mijn moeder niet meer vragen, maar ik denk wel dat die gebeurtenis bij haar voor verwarring heeft gezorgd. Ze heeft mijn twee oudere zusjes nog laten dopen in de Hervormde Kerk, maar mij niet meer. Ik herinner me dat wij op zondagochtend, als andere mensen naar de kerk gingen, naar een frisgeschilderd barakje ergens aan de Zuidersingel gingen. Dat was het gebouwtje van het Humanistisch verbond. Daar deden we leuke dingen en dan had mijn moeder lekker een paar uurtjes vrij. Ik heb in het gedachtegoed van het Verbond geen rust kunnen vinden; niet ontdekt hoe je het best kunt leven. Daar moet je dagelijks naar zoeken. Ik neem aan dat iemand die katholiek is toch ook geen dingen doet of laat omdat het zo in de Bijbel staat? Zo van: er staat 'Gij zult niet begeren', dus ik moet het gevoel dat ik voor dit meisje heb nu maar negeren of mezelf straffen? Echte rust kun je toch ook in de Tien Geboden niet vinden?''
2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
“Samen met de buurjongen had ik een uit hout gesneden vogel gevonden. We hingen hem op in een kast en doopten hem de Vogel des Hemels. Regelmatig kropen we in die kast om allerlei dingen te vragen. Dat moeder niet onder de auto zou komen en mijn zusjes niet ziek zouden worden. Of dat een zusje juist wel de bronchitis zou krijgen omdat ze zo vervelend was. Ik heb toen waarschijnlijk gedacht: stel je voor dat God wel bestaat. Dan maak ik er helemaal geen gebruik van! Dus bad ik: 'Lieve God, de Vogel des Hemels of een andere grootheid die het in zijn macht heeft: laat mamma niet dood gaan, laat Evelien en Marjan goed terechtkomen - want die gingen vóór mij de deur uit - en zorg ervoor dat ik de tuin niet hoef te wieden'. Ik had altijd wel concrete vragen. Het leven hing mij al vroeg als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Ik vond het leuk thuis, maar ik griezelde toch ook van het leven dat naderde. Mijn Vogel des Hemels bestaat niet meer. Als ik nu de klos zou zijn met een ernstige ziekte, hoop ik dat er een verstandigheid in me losbreekt in plaats van een gierende, emotionele boosheid. Want wat heb je daar aan? Maar ik ben wel een bang iemand, een zenuwlijder. En ik weet niet eens waarom. Dat wordt naarmate ik ouder word alleen maar erger. Ik zou de Vogel nu goed kunnen gebruiken, maar hij is er niet meer. Misschien komt het omdat ik niet met een godsbesef ben opgevoed, dat ik hem niet heb kunnen behouden.”
3 Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken
“Dat komt natuurlijk helemaal niet op mijn pad. Ik ken hem niet, dus hoe kan ik zijn naam misbruiken? Het heeft ook lang geduurd voordat ik begreep dat godverdomme 'god verdom mij' betekende. En pas daarna kreeg ik in de gaten dat het onvriendelijk was tegen God omdat God je had geschapen. Ik zal absoluut niet vloeken als ik het gevoel heb dat iemand daar aanstoot aan neemt. Dat vind ik kinderachtig. Ik ben zeker niet opgevoed zonder respect voor andersdenkenden. Ik had een vriendinnetje bij wie er werd gebeden voor het eten. Ik vroeg aan mijn moeder: 'Wat moet ik dan doen?' 'Kijk maar even naar je schoot', zei ze, 'en luister naar wat er wordt gezegd. Kwaad kan het niet'.”
4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen
“Ik herinner me de zondag vooral als de dag waarop je niet kon doen wat je wilde. We brunchten samen, dat was wel erg leuk. Mijn moeder maakte dan riolering: ei met kerrie. En dat vonden wij heerlijk, want ei kreeg je niet zomaar iedere dag. Nu is de zondag de drukste dag van de week. Op zaterdagavond moet ik altijd werken, dus de zondagmorgen begint met een borrel op de bank omdat ik, net terug van een voorstelling in Venlo, nog te opgewonden ben om te gaan slapen. En als je met een muzikant (Willem Breuker, red.) bent, kun je ook wel naar de zondagmiddag fluiten, omdat er dan altijd wel een concert is. Het zou niet in mijn hoofd opkomen om een actie tegen de 24-uurseconomie te steunen, maar die demonstranten hebben wel gelijk. Als je, om je kop boven het water te houden, ook op zondagmiddag je winkeltje open moet doen, terwijl dat de rustdag is waarop je God wilt eren, dan kun je wanhopig in de knoop raken.”
5 Eer uw vader en uw moeder
“Als je kind bent, is je moeder gewoon je moeder. Dan vind je het normaal dat je aan die rok gaat hangen. Maar ik nam mijn moeder als puber wel zo serieus dat ik veel met haar in gevecht raakte. Ik wilde dat ze modern dacht. Wij gingen vaak naar Amsterdam, omdat haar zuster daar woonde en die had allemaal kinderen van het Barlaeus over de vloer die haar bij de voornaam noemden. Mijn moeder heeft me echt gemarteld door te zeggen: 'Voor mijn part zeggen ze tante Mia, of mevrouw Mia, maar van Mia ben ik niet gediend'. Achteraf heb ik het natuurlijk top van haar gevonden. Je laat je toch niet door je puberdochter zeggen dat je vriendjes moet worden met de jongetjes die zij zo leuk vindt? Ja, ik heb gevochten met haar. Misschien wel omdat ik net zo sterk wilde worden als zij. Ze voedde drie meisjes op en verdiende met een klein naaiatelier zelf de kost. Mijn vader ging weg toen ik zes was. Hij is leproloog en moest naar de tropen om pillen tegen de lepra uit te delen. Hij heeft het als zijn levensopdracht gezien en dat bewonder ik zeer in hem. Maar mijn moeder, die overigens nooit iets lulligs over hem heeft gezegd, is bij hem weggegaan omdat ze vond dat zijn leven en het hare te veel uit elkaar liepen.
Ze kreeg later wel vriendjes, maar die bleven nooit. Ik weet nog dat ze iemand in Bloemendaal had, oom Fred. Ik kreeg bij hem thuis een glas warme melk en daar haalde ik het velletje van af. Ik hield al niet van warme melk, maar ik moest het drinken. Dat velletje, had mijn moeder besloten, mocht ik er uithalen. En toen werd het er weer ingegooid door een vreemde meneer. Dat was voor mijn moeder een reden om er weer mee op te houden. Het was een andere tijd: men ging ervan uit dat je als vrouw niet alleen drie kinderen op kon voeden, maar dat kon mijn moeder best. Vond ik tenminste. Mijn moeder heeft kanker gekregen en is op haar negenenveertigste doodgegaan. Ik weet niet of het geloof in haar laatste dagen nog een rol heeft gespeeld. Ze hing wel heel erg aan de verpleegsters, dus misschien is ze toch nog ergens bang voor geweest. Ze kreeg in haar laatste dagen zoveel morfine, dat ze allerlei malle dromen kreeg. Ze droomde dat ze met vrienden op een stoepje een huisconcert gaf en Bernhard langskwam met een vlaggetje in zijn hand. Prins Bernhard, 'de doerak', zei ze dan. Al die schandaaltjes van hem, er deugde niets van en hij had ook een Duitse kop, maar toch... die Juul had niet te klagen, zei ze, met zo'n knappe man. Met Kerst, vlak voor ze stierf, aten we op haar kamer. We hadden voortdurend de slappe lach en dat vond zij heerlijk. Toen ze dood was, heb ik het heel lang volgehouden om daar niet over te zeuren.
Zo heeft ze ons opgevoed: je mocht wel zeggen waar je pijn had, maar aanstelleritis, daar had ze 't land aan. Ik stond aan het begin van mijn leven, was net begonnen met de toneelschool en alles was even spannend. Ik had ook alle reden om het verdriet weg te houden. Ja, het was hartstikke vervelend dat ze dood was, maar ze had in ieder geval geen pijn meer. Daar kreeg je ook wel aandacht mee; dat je flink was. Op een dag, toen de school was afgelopen, kon ik niet meer opstaan. Uren lag ik daar. Ik dacht: ik moet op vakantie gaan. Maar ik had geen geld. Mijn moeder was midden in een verbouwing doodgegaan en had niets voor ons achtergelaten. Ik dacht: ik moet iemand bellen. Maar ik kon niet bedenken wie. Ineens deed het kacheltje het niet meer. Ach, ik ben er wel weer uitgekomen - ik heb ook altijd bij mijn zussen terecht gekund - en je moet toch ook gewoon door? Daar doe je niemand tekort mee, behalve jezelf misschien, als je te lang doorgaat. Ja, dat wel. Misschien komt daar dat zenuwachtige ook wel vandaan, ik weet het niet. Als er een paar dingetjes gebeuren - vadertje weg, moedertje wat vroeg vertrokken - die niet zo leuk zijn voor een kind, dat je daar dan... ik heb geen idee. Ik heb het nog eens met een psychiater uit willen zoeken, maar ik ben er niet uitgekomen. Wat mij zo bezighield, was: ik heb alle reden om me gelukkig te voelen. Hoe komt het dan dat ik, met zoveel mazzel, niet iets gelukkiger kan zijn?
Toen ik ontdekte dat iedereen daarmee worstelt, dacht ik: ik heb in ieder geval mijn best gedaan om erachter te komen of het mogelijk was. Niet dus. En daar werd ik al weer wat rustiger, wat gelukkiger van. Bovendien: als ik weken achter elkaar vreselijk gelukkig zou zijn, zou ik daar geen raad mee weten.''
6 Gij zult niet doodslaan
“Ik vind dat je nooit iemand mag doodmaken, maar ik zeg wel eens: ik wou dat ze bij de Hema een geweer verkochten. Niet omdat ik ben aangerand en ik heb ook geen kinderen wie iets vreselijks is aangedaan, nee, het gaat dan over heel erg kleine dingen. Over domme mensen. Zoals die mevrouw die haar auto dubbelparkeerde op de Ceintuurbaan, terwijl ze zo, vijf meter verder, een parkeerplaatsje in had gekund. Zo'n klein hubsch, vuurrood wagentje met een recht achterkantje. Ik kom er aan gefietst en ja hoor: een dikke Benidormkont, gestoken in een witte short, doet ineens dat deurtje open waardoor ik bijna van mijn fiets aflazer. Had niet in haar spiegeltje gekeken. Als iemand zegt: 'O sorry', dan smelt ik al. Maar zij, met die ordinaire kont, roept alleen maar 'Zo zo' en loopt met al dat namaakgoud de stoep op. En toen werd ik zo kwaad! Dat zij niet in staat was om in te zien dat het door haar kwam. Niet dat ik me dood had kunnen rijden op die fiets, maar het was zo onrechtvaardig. Ik schreeuwde: 'Door jou komt er een Derde Wereldoorlog' Dat slaat misschien nergens op, maar onmacht kan me de zinnen helemaal doen verliezen.”
7 Gij zult niet echtbreken
“Willem en ik zijn al veertien jaar bij elkaar. We hebben nooit willen trouwen. Daarvoor ging je ooit naar Amsterdam: je zei niet meteen 'ja' tegen iemand, en dat het dan forever moest blijven. Nee, vonden wij, bewijs iedere dag maar weer dat je het leuk vindt om bij elkaar te zijn. Dat was ook een groot goed, want ik kon me heel goed voorstellen dat je op een dag zou denken: ik vind er geen zak meer aan. En dan kon je gewoon weglopen, zonder schuldgevoel. Maar op een gegeven moment, na een aantal jaren, merk je dat het helemaal niet zo gemakkelijk zal zijn om uit elkaar te gaan. Want dan ben je van iemand gaan houden, zoals dat heet. Wel of niet trouwen, het maakt voor mij niet zoveel verschil meer. Voor Willem wel. Niet dat hij nu nog denkt: ik wil overal meisjes versieren, maar ooit heeft dat wel degelijk een rol gespeeld. Willem is trouwer aan zaken waar hij in de jaren zestig voor stond. Ik ben veel slapper in die dingen. Ik ben meer een liberaal; ik zit altijd alles van alle kanten te begrijpen.”
8 Gij zult niet stelen
“Als de bel gaat, denk ik dat het de politie is, of de overheid. Terwijl ik gewoon mijn belastingen betaal, dat is ook zo raar. Het heeft, denk ik, iets met opvallen te maken. Best vreemd als je 's avonds in een lampje gaat staan en de mensen uitnodigt om daar voor vijfendertig gulden per persoon naar te komen kijken. Ik ben er bang voor iets te doen wat niet mag. Als wij en groupe in een hotel zijn, zeg ik ook altijd: 'Geen badmatten meenemen, want daar krijgt de zakelijk leider problemen mee'. Ik laad mijn toilettas ook niet vol met zeepjes en shampootjes. Alhoewel... als ik een zeepje leuk vind en het is in de kleur van een handdoekje dat ik thuis op de plee heb hangen, dan doe ik daar niet zo moeilijk over. Dat is toch wel bij de prijs inbegrepen? En de showercap neem ik ook altijd mee, maar die is dan ook gebruikt.”
9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste
“Als ik vind dat iemand ergens omheen draait, dan komt bij mij de uitdrukking 'glibberig katholiek' weer bovendrijven. Niet per se liegen, maar je er als een jezuït uitkletsen, zoals Van Agt dat kon doen. Ik weet niet veel van politiek, maar je hoorde die man gewoon draaien. Niet te vertrouwen. Het is maar goed dat katholicisme iets is waar mensen voor kiezen, want als ik zoiets over homoseksuelen zou zeggen, was dat veel erger geweest. Bovendien is niet iedere katholiek zo, je kunt best plezier met ze hebben. En ze zijn ook niet gek, want tijdens het carnaval, als iedereen verkleed is, pakt pappa zijn dochter en roept, als het masker afgaat: 'O, dat wist ik niet' Even de biechtstoel in en het is weer over. Het is vast een goed geloof, maar het is aan mij niet besteed. Ik heb het ook nooit als een gemis ervaren dat ik niet bij 'iets hogers' te rade of te biecht kon gaan. Wij waren met alleen maar vrouwen thuis en wij bespraken veel voor die tijd. Ik weet nog dat mijn moeder me op de hoogte wilde brengen van het nieuws dat de pil was uitgevonden. 'Olga, je hebt wel eens een vriendje, hè?' 'Ja'. 'Wat doe je dan met zo'n jongen?' 'Nou, zoenen en dan steekt-ie er wel eens z'n tong in'. 'Zo, dat is leuk. Nee, maar heb je wel eens het gevoel dat je die jongen nòg meer wilt geven?' Ik begreep helemaal niet wat ze bedoelde. Hè? Wat? Ik was al zo trots dat zo'n jongen een beetje aan mijn beginnende tietjes zat. Maar ze heeft toch een kwartier doorgevraagd tot ze uitkwam op: 'Er is nu een pil uitgevonden voor het moment waarop je eens heerlijk tegen elkaar aan wilt rollen.' 'O, je bedoelt neuken?' Tegenwoordig liggen ze in de eerste klas van de lagere school al in de hooiberg, maar ik was daar nog helemaal niet aan toe. Maar mijn moeder nam geen blad voor de mond. Je weet het nooit; misschien ga je, als iemand dood is, de boel een beetje mooier afschilderen dan het in werkelijkheid was, maar ik geloof niet dat ik iemand heb gemist bij wie ik te rade kon gaan. Dat was gewoon mijn moeder.”
10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienst-maagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
“Waarom zou je geen dromen mogen hebben? Als je als kind in een klein huisje woont en je kijkt iedere dag uit op een groot huis aan de overkant, dan krijg je misschien een extra drive om ervoor te zorgen dat je later ook zo komt te wonen. Dat is toch niet negatief? Dat is toch niet meteen rechts of zo? Misschien gaat het pas mis als je maar blijft verlangen naar iets dat echt buiten je bereik ligt. Het is natuurlijk heel irritant als iemand op z'n vijfenvijftigste nog zegt: 'Ik wil later een huisje op Ibiza'. Ik word niet gedreven door begeerte. Ik heb nooit gedroomd van Oscars of Gouden Kalveren. Ik ben ooit genomineerd en dat vond ik best leuk, maar ik ben niet naar de uitreiking gegaan, omdat er dan zo met die camera's naar je wordt gekeken. Hoe gaat ze reageren als een ander die prijs krijgt? Ik denk dat ik te hard zou gaan lachen en dat zou dan weer niet aardig zijn tegenover degene die dat Kalfje had gekregen. Bovendien moest ik die avond gewoon spelen. Ik geloof echt dat ik daarin niet jok als ik zeg dat ik minder behoefte heb aan die prijzen dan andere mensen. Mijn ambitie gaat niet over wat ik zal bereiken, maar over met wie ik mag gaan werken. Door wie ik word omringd en wie ik omring: daar gaat het mij om.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.