De Tweede Kamer vergadert volgende week over hoe het verder moet met het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Ruim 36 000 jongeren in Nederland zijn tussen 12 en 20 jaar en hebben met 'leren' enorme moeite. Tot nog toe had Nederland voor hen speciale scholen. Voor moeilijk lerende kinderen (MLK), voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK), voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), en voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM). Daar was een aparte wet voor: de wet op het speciaal onderwijs. De zwakke kant van lerend Nederland moet worden gereorganiseerd, vindt het rijk. De aparte wet, die elk detail regelde, moet verdwijnen. De speciale scholen moeten onderdeel worden van de gewone. Daar moet voor elk type kind een bijpassende 'leerweg' komen. Staatssecretaris Netelenbos (PvdA, onderwijs) heeft nog voor de behandeling in de Kamer alweer wat water bij de wijn gedaan. Ze liet vorige week in een overleg met schoolbesturen en ouderorganisaties weten dat speciale scholen wel moeten samenwerken met reguliere, maar dat er daarbinnen ruimte blijft voor een eigen voortbestaan. Op de speciale scholen houden ze ondertussen hun hart vast. Houden ze hun extra budget? Hoe zit het met de opheffingsnorm? En hoe houd je het pedagogische klimaat intact? Portret van een school voor moeilijk lerende kinderen: de Kranenburgschool in Utrecht.
- Iedereen zegt dat oliebollen vies zijn, zegt een van de leerlingen terug. Ze zitten met z'n tienen met een schort aan op krukjes aan drie grote keukentafels.
- Dan ga jij hele lekkere maken, zegt de juf. Ariejan, Hassan, jullie moeten je handen nog wassen. En, nog iets. Die frituurpannen worden straks heel heet. Dus als je niet aan de beurt bent met bakken, ga je hier zitten. Zoek nu allemaal een plaats aan het aanrecht. Ja? Pak allemaal een steelpan.
De leerlingen pakken een steelpan uit het aanrechtkastje.
- En een beslagkom.
De leerlingen pakken een beslagkom.
- En een maatbeker.
De leerlingen pakken een maatbeker.
- En voor straks een groot plat bord. Niet het kleine. Het grote.
De leerlingen pakken een groot plat bord.
- En dan pakken we uit de la nog de witte pollepel en de klopper en twee lepels.
De twee Marokkaanse meisjes die samen een aanrecht delen, wassen alles wat ze tevoorschijn moeten halen gauw even af onder een hete waterstraal. 'Soms is het een beetje vies. Heeft iemand niet goed afgewassen', leggen ze uit.
- We gaan beginnen, zegt de lerares. Jullie gaan eerst 50 warm water in de maatbeker doen.
Niemand vraagt: vijftig wat? milliliter? centiliter? deciliter? De leerlingen tappen warm water tot het getal 50.
- Doe het water maar in de steelpan, zegt de juffrouw, terwijl ze langsgaat met een pakje boter. Iedereen krijgt een klontje boter bij het water.
- Dit laten we rustig samen smelten. Niet te hoog vuur, anders verdampt het water en is het geen vijftig meer.
Nu krijgt iedereen van de juf twee juslepels bloem in de steelpan.
- Klop het meel er maar goed door. Ik kom zo langs met ei, zegt de juf. Ze staat negen eieren te kloppen.
- Doe normaal joh! roept Ariejan tegen Melvin. Ze delen samen een fornuis. Melvin vindt dat het gas hoger moet. Ariejan vindt dat het water dan verdampt.
Aan de andere kant van het lokaal raken Hassan en zijn keukenpartner slaags. Wat is dat? vraagt de lerares.
- Hij zegt flikker tegen mij, zegt Hassan verontwaardigd.
- Juf, die van mij is misgelukt, zegt Nual, een Marokkaans meisje, even later tegen de lerares.
- Die van jou is anders ja, zegt die na een blik in de steelpan, waar op de bodem iets nattigs ligt. Ik kom zo bij je, want het kan nog wel goedkomen hoor.
Hee vieze dief! roept Hassan door het raam naar buiten, waar net een jongen langsloopt. Arie gaat bij het raam kijken. Nee hoor, je scooter staat er nog, zegt hij geruststellend tegen Hassan.
Melvin is in voor een praatje. Daarstraks, toen Hassan grote zware klappen op de keukentafel zat te geven en hij een medeleerling 'dikke vette zwijn' noemde, wierp Melvin al een blik van verstandhouding op het bezoek. “Ze kunnen niet normaal doen”, zei hij toen hoofdschuddend.
Nu wil hij nog wat duidelijker maken dat hij geen doorsnee leerling is. “Het zijn hier moeilijk leerbare kinderen”, vertelt hij. “Volgend jaar ben ik er gelukkig van af. Je leert hier toch geen ene zak. Ik vind sowieso dat je hier geen kinderen naar toe moet sturen. Dat moeten ouders goed beseffen. Stomme dingen leer je. Koken, metaal, hartstikke makkelijke rekensommen. Koken is wel leuk hoor, maar de basisvakken niet.”
De sneeuwballen die de leerlingen van klas 2 iets later af hebben, zijn onmiskenbaar serieuze sneeuwballen - zoals moeder ze bakte op Kerstavond. Het is moeilijker dat te zeggen van de rekensommen die een andere tweede klas op het zelfde moment zit te maken bij hun vaste groepsleerkracht, Jaap van Houten. In tegenstelling tot het 'gewone' voortgezet onderwijs, waar voor elk vak een andere docent is, gaat het in het speciaal onderwijs zoals op de basisschool. De groepsleerkracht geeft alle vakken, behalve de specialistische. In een klas zitten in het VSO zelden meer dan veertien leerlingen.
Rekenen is een van die basisvakken waar Melvin zo het land aan heeft. Ahmed, die twee jaar geleden nog in Saoedi-Arabië woonde, houdt er ook niet erg van - maar niet omdat hij ze hartstikke makkelijk vindt. Hij loopt bij Jaap van Houten langs omdat hij maar niet uit de som '82 min 5' kan komen. Ahmed had in z'n schrift 63 ingevuld, maar dat is, blijkens een rood streepje van de leerkracht, niet goed. Ahmed moet dat nu verbeteren, maar hij heeft geen idee waarom het niet goed is.
- Kom op, zegt Jaap van Houten. Hoeveel is dat? Hij telt af op z'n vingers. Tweeëntachtig, eenentachtig... nou jij.
- Tachtig, negenenzeventig, achtenzeventig, zevenenzeventig, gaat Ahmed verder.
- Precies, zegt Van Houten.
Ahmed vindt het nu wel genoeg voor vandaag.
- Mag ik nu niks doen? vraagt hij.
Nou okay, dat mag.
Ahmed gaat in z'n bank zitten en zet zijn walkman op.
Wat 'moeilijk lerende kinderen zijn', dat vindt drs. E. Westening, directeur van de Kranenburgschool, een goeie vraag.
Hij bedoelt: een moeilijk te beantwoorden vraag.
Intelligentie is een héél complex fenomeen, zegt Westening wel een paar keer. Je hebt kinderen die in de praktische vakken best een goed inzicht hebben, maar uitvallen met rekenen, of taal en lezen. Je hebt er ook die het geen van beide goed kunnen. Vaak wordt er nog over gedacht in termen van IQ. Moeilijk lerende kinderen, die hebben een IQ tussen 50 en 75. Of 80, hooguit.
Maar met intelligentiemetingen moet je heel voorzichtig zijn. In elk geval: vergeleken met 'het reguliere kind' presteert een moeilijk lerend kind minder in de schoolse vakken. Qua lezen zit het bij voorbeeld op het niveau van iemand van zeven, in groep vier van de basisschool. Of het leest als iemand van elf, maar begrijpt niet alles wat het leest.
Fantasie? Ja, dat ligt ook een beetje moeilijk. Bij de tekenles moet je een duidelijk voorbeeld op het bord zetten, of een kleurplaat geven. En qua tijdbesef zijn ze ook niet sterk. Vijftig jaar is hetzelfde als honderd jaar. “Als ik wil dat ze snappen dat we vrijdag iets gaan doen, moet ik het maandag zeggen, èn dinsdag, èn woensdag, èn donderdag”, zegt Jaap van Houten later op de dag.
'Moeilijk lerende kinderen' zijn ook een stukje aloude klassentegenstelling. Hier, op de Kranenburgschool, komen de leerlingen vrijwel allemaal uit sociaal-economisch zwakke gezinnen. O jawel, het kind van de tandarts en van de hoogleraar komt hier ook wel - maar dat is dan bij voorbeeld een kind waarmee tijdens de bevalling iets fout ging. Dat zijn op een MLK-school vaak in sociaal opzicht de de kwetsbare leerlingen. Het zijn ook de kinderen met de belangstellende, steunende ouders. Drie, vier kinderen uit hetzelfde gezin op een MLK-school, dat komt in die bevolkingslaag niet voor.
Het moet anders met het voortgezet speciaal onderwijs, vindt de overheid. De interimwet, die zorgt voor aparte scholen, loopt in 1998 op z'n eind. Daarna moeten de VSO-scholen onderdeel worden van 'gewone' middelbare scholen, en onder de 'gewone' wet op het voortgezet onderwijs vallen.
In de taal van een ambtenaar zeg je dat anders. Dat de ISOVSO in 1998 expireert, en dat het VSO dan onder de WVO moet worden gebracht, mede omdat het, als gevolg van de basisvorming, mogelijk moet zijn om meer leerlingen binnen de reguliere scholen op te vangen, zodat het VSO zich kan ontwikkelen tot de hulpstructuur van het voortgezet onderwijs.
Met andere woorden? Dat de kinderen van het voortgezet speciaal onderwijs (in oktober 1994 waren dat er ruim 36 000, op 512 scholen, dus zo'n 70 kinderen per school) na 1998 niet meer op een zelfstandige school zitten, maar op eentje die minstens samenwerkt met het 'reguliere' voortgezet onderwijs (in 1995 zo'n 850 000 leerlingen, op 780 scholen, dus zo'n 1100 kinderen per school).
Met nog andere woorden?
Of het eilandenrijk van kleine, aparte scholen voor voortgezet speciaal onderwijs kan ophouden te bestaan.
Tja, zegt Eef Westening.
Daar zijn dan toch echt een paar probleempjes bij die de overheid moet oplossen.
Nee, hij is niet kortweg tegen het idee. Het kon weleens zijn dat het voor een kind minder stigmatiserend is, om de naam van een 'gewone' middelbare school te kunnen noemen, als iemand dat kind vraagt op welke school het zit. Om te kunnen verzwijgen dat je op de speciale afdeling van die school zit.
Maar verder?
Ja hoor eens, de kleine schaal van deze school is dus gewoon een voordeel. Ga maar eens kijken op zo'n grote school voor voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Daar zitten ook kwetsbare kinderen bij, maar de kinderen hier kunnen niet aan wat die kinderen wel aankunnen: een grote school. Daar redden ze het niet.
Plus, op een grote school is het personeelsbeleid anders. Je moet er toch niet aan denken dat deze kinderen iemand voor de klas krijgen die daar alléén maar staat omdat dat organisatorisch, in zo'n grote fabriek, goed uitkomt? “Hier moet je affiniteit hebben met de persoon van het kind, met z'n toekomst. Als je veel kwijt wilt in je vak, dan moet je hier niet zijn. Op een reguliere school is 'het vak' voor een docent wel een drijfveer. Maar hoe voorkom je straks dat de verkeerde mensen om de verkeerde reden voor een klas met deze kinderen komen?”
Marleen Tiemens staat nu voor het zevende jaar op de Kranenburgschool voor de klas. Op de pabo wist ze het al: speciaal onderwijs vond ze veel boeiender dan een gewone basisschool. “Daar ben je didactisch bezig, met de vraag hoeveel vijf maal acht is. Hier ben je bezig met hun voorbereiding op de maatschappij, met problemen”, zegt ze. Achter in haar lokaal staat rechts een nagebouwde winkel, met een toonbank en een kassa. Zo leren haar leerlingen het juiste bedrag terug te geven. Links staan een kinderbedje en een wieg, waarin een babypop. Ook dat is een stukje voorbereiding op de toekomst, ja. Al heeft die nagebootste kinderkamer niets met een later beroep te maken hoor. Het gebeurt maar een hoogst enkele keer dat een van haar leerlingen een stageplaats krijgt in een kinderdagverblijf. Het gebeurt een stuk vaker dat een van haar leerlingen moeder wordt.
Werk vinden, een plaats vinden in de samenleving, dat valt voor kinderen uit het voortgezet speciaal onderwijs niet mee. Sterker nog: het wordt steeds moeilijker. Sjef Keune en Rob Terlingen gaan daar op de Kranenburgschool over, als job coaches. Ze maken zich vooral bezorgd over de zwakste groep.
“Die hele zwakke groep, laten we zeggen vijftien van de honderdzestig, daar zitten Albert Heijn of Het Kruidvat ook niet als vakkenvullers op te wachten”, zeggen ze. Van oudsher waren dat de jongeren die in een sociale werkplaats terecht konden, onder de paraplu van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Maar ja, daar wordt bezuinigd. Alles moet er dus efficiënter, gestroomlijnder, harder, prestatiegerichter. Dat treft ook menige jongere uit het speciaal onderwijs, die het hogere tempo niet kan bijbenen. Al vormen de kinderen van een MLK-school nog niet eens de allerzwakste groep. Een recent rapport van het Leidse onderzoeksinstituut LISWO stelt dat zeer moeilijk lerende kinderen (ZML-kinderen) het sterkst slachtoffer zijn van die nieuwe wind in de WSW.
“Voor de kinderen is dat een hele slechte zaak. Het hoort ook niet zo te zijn, in een beschaafd land”, vinden Keune en Terlingen. Maar daarom is het nog wel zo. Tegenwoordig probeert de Kranenburgschool die groep jongeren naar een vormingscentrum te krijgen, waar ze een stukje opleiding krijgen dat ze alsnog geschikt moet maken voor een plek in de sociale werkvoorziening.
Werk vinden voor de anderen, die niet 'de zwaksten' zijn, is overigens niet véél eenvoudiger. “Elke school heeft tegenwoordig stagiairs en zoekt daar een plaats voor in een bedrijf”, zegt Terlingen. “En die uit het MLK-onderwijs zijn niet het hardst in trek. Hoe minder een bedrijf er van weet, des te ongenadiger de ideeën die men over MLK-kinderen in het hoofd heeft. Mensen die een zwakbegaafd familielid hebben, hebben vaak een veel reëler beeld. Dat is ook vaak op de achtergrond de reden dat een bedrijf uiteindelijk ja zegt. Dan is er iemand die iets wil doen omdat hij zelf een moeilijk lerend familielid heeft. Maar het is opmerkelijk dat het altijd bedrijven zijn. De overheid, die het allemaal subsidieert, organiseert en reorganiseert, is niet thuis wanneer het om een baan gaat.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.