Koos Terpstra ontkent dat Het neerstorten van de Hindenburg en wat daarna gebeurde een sleuteldrama is over de wisseling van de artistieke wacht bij het RO Theater eerder dit jaar, waarbij de leiders Peter de Baan en Terpstra door het bestuur pardoes op straat werden gesmeten.
Ik accepteer die uitspraak voorzover ik met nadruk wil zeggen dat ik niet twijfel aan Terpstra's integriteit, al kan ik nauwelijks de vileine oprisping onderdrukken er de zin uit Shakespeare's 'Julius Caesar' aan toe te voegen: 'For Brutus is an honorable man' (en Caesars dictatuur wás onverdragelijk). Maar mijn kritiek dat zijn toneelstuk een rancuneuze indruk op mij maakte, is met zijn verklaring niet meer ter zake: Terpstra wilde een andere kijkervaring creeren voor de toeschouwer, en daarvoor brengt hij Tsjechov en Brecht in stelling.
Ik ga daarover nu niet met hem in debat, omdat ik vind dat hij ten onrechte deze schrijvers in zijn 'Hindenburg' betrekt. Wat me treft in zijn verhaal, is dat hij een wereld heeft willen neerzetten die 'enerzijds bestaat uit levensdrift, constructieve kracht, geloof, hoop en verlangen, en anderzijds uit voortdurende afbraak, het besef van de eindigheid van het leven en van al het mogelijke dat je lief is'.
Precies, dat is theater. Deze podiumkunst die wordt verguisd en geminacht als zij geen onderbroekenlol en dijenkletsende ongein produceert, is de oervorm van het verhalen-vertellen, de manier waarop wij mensen ons geloof, onze hoop en ons verlangen aan elkaar doorgeven. Daarom schrijf ik ook al mijn leven lang over theater.
De 'Hindenburg' is een boos en bitter stuk, of het een sleuteldrama is of niet. Dat is geen verwerping van het stuk. Ik noem nog één moment uit de voorstelling dat ik niet noemde in mijn recensie en waar ik echt geëmotioneerd van raakte: Bianca krijgt het laatste salaris van de matroos met wie ze een nacht is wezen stappen en die in de Zee van Celebes is verdronken. 'Hij was een held', zegt de vriend die het geld komt brengen. Ze antwoordt: 'Hij kan geen held geweest zijn. Helden blijven leven'.
Dát is een paradox over heldendom, en een bitterheid die ik alleen maar kon (en kan) begrijpen als Terpstra's verdriet over de breuk tussen de schrijver en de hoer (want de toneelspelerskunst is de hoer van de podiumkunsten).
Dat gaat veel dieper dan dat de 'Hindenburg' een 'openbare wraakoefening op medewerkers van het RO Theater' zou zijn. Dat is het stuk niet, en dat heb ik ook niet beweerd.
En wat de rancune betreft: ik heb er geen moment aan getwijfeld dat mijn interpretatie klopte. Ik kon moeilijk Terpstra opbellen en vragen: 'Koos, heb jij soms een sleuteldrama geschreven?'
Wat mij stoort, is dat we in onze democratie telkens weer zien dat artistieke conflicten worden bedisseld door zelf-benoemde besturen die met ons geld de zaken naar hun hand zetten. Dat is weerzinwekkend, vooral als de slachtoffers hun kaken op elkaar houden. Als theatercriticus die ook zo z'n verantwoordelijkheden denkt te kennen, schiet ik dan soms uit m'n slof.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.