*

 
dossier

Archief

HELENA RIVERA

DORIEN PELS − 25/01/97, 00:00

Zo'n 3 500 jongeren tussen de vijftien en achttien jaar zijn deze week in het congresgebouw van Den Haag bijeen voor de 29e Internationale Jeugdconferentie van de Verenigde Naties. Delegaties uit 92 landen doen voorstellen om de wereld te verbeteren. Als spel en als oefening in verdraagzaamheid. Helena Rivera (17) is een van de dertig voorzitters. Ze is Columbiaanse, geboren in de Verenigde Staten en woont sinds zes jaar in Nederland.

Zodra ik om half zeven mijn voeten uit bed heb, gaat het wel. Het vooruitzicht om naar de conferentie te gaan is motiverend genoeg. Als ik opsta controleer ik eerst op alle klokken of ik me niet verslapen heb. Ik ben altijd doodsbang dat mijn wekker misschien voorloopt.

Vooral zondag was zwaar. Ik lag pas om half vijf in bed en moest om zes uur op om iedere delegatie van informatiefolders, vlaggetjes en buttons te voorzien. Het is vermoeiend, maar je krijgt hier tijdens de conferentie een enorme adrenaline-stoot. Zo houd ik het vol.

Ook al spelen we de echte VN na, onze aanpak is anders. Om te beginnen zijn we van een andere generatie. We kennen de geschiedenis, maar alleen uit boeken. We hebben het niet geleefd en kunnen dus objectief zijn. Vooral de openingsspeeches waren 'jong'. Sommige landen zongen hun opening, andere rapten, weer anderen deden het samen, om de beurt een zin. Er wordt hier ook veel gelachen.

Als voorzitter moet ik neutraal zijn, maar in het dagelijks leven voel ik mij het meest aangetrokken tot het socialisme. Tijdens de conferentie probeer ik er voor iedereen te zijn, want het heeft geen zin als zo'n comité zich opsplitst in kleine groepjes.

Anders dan bij de gewone Verenigde Naties, vertegenwoordigt niemand hier zijn of haar eigen land, omdat een van de doelen van deze conferentie is dat je je leert inleven in anderen. De afgevaardigden bestuderen het land dat ze vertegenwoordigen en zo leren ze te waarderen waarom mensen verschillend denken. Als iedereen dat zou kunnen, zou het er in de wereld een stuk beter aan toe gaan.

Mijn vader werkt voor een internationale Columbiaanse oliemaatschappij en mijn familie heeft altijd de wereld rondgereisd. Ik woon in Den Haag, maar ga iedere vakantie terug naar Columbia. Mijn ouders en jongere broertje en zusje wonen in Bogota. Ik ben vorig jaar voor drie maanden teruggegaan, maar miste daar Nederland. Mijn vriendje is Columbiaan, maar woont nu in Engeland. Het vergt een hoop organisatie om iedereen af en toe te kunnen zien.

Ik houd van Nederland, ik houd van Columbia, maar ik voel me nergens echt thuis. Ik ben een internationaal persoon, want in beide landen ben ik een buitenlander. Ik leef tussen twee culturen die heel ver uiteen liggen en ik ben er nog niet in geslaagd om daar een balans tussen te vinden. De Columbiaanse waarden, waarmee ik ben opgevoed, zijn veel meer gericht op geluk, op de familie en op hoe je je voelt, terwijl in Nederland economische waarden overheersen. De mensen hier hebben zo'n welvarende en regelmatige levensstijl. Dat bestaat niet in Columbia. Daar weten de mensen als ze opstaan niet zeker hoe ze er 's avonds aan toe zijn. Het is veel meer 'living on the edge'. Columbianen halen uit het moment wat eruit te halen is.

Het was een moeilijke beslissing om niet bij mijn ouders te wonen, maar ik wilde hier mijn studie afmaken. Ik zit in het laatste jaar van de internationale opleiding aan het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest. Dat is hard werken, het is een school van hoog niveau en we hebben kleine klassen. Verder doe ik al elf jaar aan ballet. De mensen op deze opleiding zijn fanatiek, we worden getraind in het onder druk werken en krijgen les in kleine klasjes. Je ziet dat mensen zelfs hun hobby's doodserieus nemen. Ik ben gevraagd voor de audities van het Rotterdams Danstheater maar heb, na heel lang twijfelen, besloten dat dat niet mijn toekomst is.

Het afgelopen jaar is hectisch en emotioneel geweest. Hier kan ik mijn ervaringen constructief gebruiken, want doordat ik geen wortels heb, heb ik een brede visie. Ik denk dat mensen met een internationale achtergrond een meer volwassen instelling hebben.

Een van de fijne dingen van deze conferentie is dat er honderden mensen rondlopen met zo'n identiteitsprobleem, want veel van de afgevaardigden hebben de halve wereld rondgereisd. Ik heb het een tijdje moeilijk gehad omdat ik dacht dat ik raar was, omdat ik geen wortels heb. Ik voel me tussen deze mensen thuis, het is bijna een spiritueel gevoel.

Ik begin hier iedere morgen met een vergadering met alle voorzitters, dat zijn er zo'n dertig. We bepalen hoe de dag eruit gaat zien. Dan stroomt het congresgebouw vol met afgevaardigden en beginnen om negen uur de bijeenkomsten. Mijn taak is het om ervoor te zorgen dat de 180 jongeren in mijn comité uiteindelijk op een lijn komen te zitten en dat we een resolutie opstellen met aanbevelingen voor landen met een wankele, of geen democratie.

Uiteindelijk komen onze voorstellen terecht in een boek, dat wordt aangeboden aan de Verenigde Naties. Dus ja, ik heb het gevoel dat we met deze conferentie wel een beetje invloed hebben in de wereldpolitiek.

Het moeilijkst was het lobbyen. We moesten er als voorzitters voor zorgen dat landen als Rusland, Cuba en de Verenigde Staten met elkaar overleggen. In de tweede helft van de week wordt er de hele dag gedebatteerd. Om twaalf uur hebben we een half uur lunchpauze en staan er honderden meters lange rijen voor de balie in een enorme hal. Dat is een indrukwekkend gezicht. Ik heb het voorrecht dat ik niet in de rij hoef, voor de anderen is het best vervelend. Daarna wordt er nog tot vijf uur verder gedebatteerd.

Bijna alle deelnemers komen uit welgestelde gezinnen, dat besef ik. Het zou beter zijn als er ook mensen met een minder welvarende achtergrond aanwezig zijn. Maar de kosten zijn hoog, zeker als daar nog eens een vliegticket bovenop komt. Aan de andere kant gaat het hier niet om persoonlijke ervaringen, het gaat erom dat we naar de wereldpolitiek kijken en rekening houden met andere landen.

Ik heb deze week geen tijd gehad voor iets anders dan de conferentie. Ik krijg geheid last van wat wij al noemen de 'conferentie-kater'. Je bent hier zo actief, je hebt de touwtjes in handen en je ontmoet honderden mensen. De eerste week terug op school heb je het gevoel dat je daar niks meer kunt leren. Ik vind het bijna jammer dat ik dit jaar eindexamen doe en dus volgend jaar niet meer mee kan doen.

Niet iedereen hier wil de politiek in, je kunt hier van alles leren dat je in andere vakken ook goed kunt gebruiken. Het is de beste voorbereiding om later te kunnen samenwerken, om je trots te leren inslikken, om consensus te bereiken. Ik wil architect worden, het liefst bij een internationaal bedrijf. Dat is het vak waarin alles samenvalt, cultuur, kunst en creatieve ideeën.

Het is moeilijk om hier binnen te komen, er is veel concurrentie. Ik ben uitgekozen door de school om me aan te melden, met een brief en een motivatie. Verder kijken ze ook naar je ervaringen. Twee jaar geleden heb ik ook al een keer meegedaan.

Iedereen heeft zijn resoluties op school voorbereid en de eerste dagen gaat het erom dat je met zoveel mogelijk mensen onderhandelt, zodat er uiteindelijk maar een paar samengevoegde resoluties overblijven. Er is een speciale lobby-ruimte, waar mensen op elkaar af stappen en elkaars ideeën lezen.

Maar eigenlijk begint het echte onderhandelen pas 's avonds, in het café. Dan kom je erachter wat mensen echt denken en vinden. Het uitgaan is de helft van de lol die je hebt van deze conferentie. Veel kroegen in het centrum van Den Haag zitten iedere avond stampvol afgevaardigden.''

mailIcon print |