Tournee. Deze maand: 25/1 Zwolle (Papenstraattheater).
Voor dit nieuwe programma schreef zij alles zelf. Het klonk veelbelovend en omdat de première plaats vond in de toch gerenommeerde Utrechtse Stadsschouwburg, ging ik er verwachtingsvol heen. Nelleke Burg begint haar nieuwe, zesde theatersolo met haar bewerking van een lied dat Ernst van Altena dertig jaar geleden vertaalde voor André van den Heuvel.
De tekst is zo krakkemikkig, dat meteen duidelijk is dat het wéér mis is en dat Burgs pretentieuze opzet opnieuw strandt in artistieke armoede. Eind jaren zeventig maakte Nelleke Burg naam in de ensembles van verscheidene cabaret- en musical-producties. Maar zij ambieerde hoofd- in plaats van bijrollen en in 1980 stelde zij haar eerste solo samen. Toen bleek al dat zij verdienstelijk zingt, maar absoluut geen theaterpersoonlijkheid is. Zij kon dat enigszins verhullen, omdat de voornaamste liedauteurs en componisten, onder wie Jan Boerstoel en Harry Bannink, haar aanvankelijk ondersteunden. Maar die zagen hun repertoire bij cabaretières als Jenny Arean, Martine Bijl en Adèle Bloemendaal veel beter tot zijn recht komen.
Het weerhield Burg er niet van toch steeds opnieuw het doodlopend solopad in te slaan. Zo dus ook nu weer. Op bestaande melodieën van populaire Franse en Engelse songwriters en begeleid door pianist Paul Diekman zingt zij deze keer louter eigen teksten. Wat een treurige overmoed. Werkelijk al haar nummers worden ontsierd door een stapeling van clichés, hinderlijke rijmdwang en zo'n groot technisch onvermogen, dat het een professioneel theaterpodium onwaardig is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.