CDA-politicus Arie Oostlander gruwt van de 'pragmatische lauwheid' van het door paars geregeerde Nederland dat nu voorzitter is van de EU. Er is juist bezieling nodig om ervoor te zorgen dat de EU hervormd wordt, met het oog op de komst van nieuwe lidstaten. De auteur is lid van het Europees parlement.
Voor het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie is die weinig ideële, pragmatisch-bestuurlijke inslag gevaarlijk. Er zijn in die Unie heel wat verwachtingen geïnvesteerd. Een deel van de dromen van vorige generaties is door de Europese integratie gerealiseerd: van tegen elkaar gerichte zwaarden (Frans-Duitse oorlogen) is geen sprake meer; het debat gaat nu veeleer over de doelmatige bediening van ploegscharen (landbouwpolitiek). Geef die deels gerealiseerde idealen in handen van pragmatische bestuurders en je houdt op de duur alleen nog maar een kale 'constructie' over.
Die term gebruikte minister Van Mierlo, het boegbeeld van het pragmatisme, dan ook toen hij op zijn rondreis langs Europese hoofdsteden ook voor het Europees parlement verscheen. In 1966 leek zijn vrolijke afrekening met politieke principes nog fris. We werden toen immers geplaagd door de uitwassen van, vooral linkse, ideologieën. Maar het pragmatisme is nu, in een ontideologiseerde maatschappij, ongeveer het saaiste wat je je kunt voorstellen. Het heeft zijn correctiefunctie geheel verloren. We lijden nu niet aan ideologieën maar aan het gebrek aan engagement, aan motiverende normen en waarden, aan te veel carrièrezucht in plaats van ideële motieven.
Vanwege dit passieloze pragmatisme kan het Nederlands voorzitterschap helaas niet anders dan bescheiden zijn. Immers, wat moet je met de Unie als die niet meer is dan een bestuurlijke 'constructie'? Het voorzitterschap mag echter geen slachtoffer worden van gebrek aan engagement en niet vervallen in risicomijdend voortmodderen. Zonder krachtige drijfveren kom je er in de politieke en sociale werkelijkheid niet. Om nu voortgang te maken met de EU zul je alle mogelijke inspiratie nodig hebben. De tijd dringt, want we moeten ons gereed maken voor de toetreding van de landen van centraal Europa.
In de komende 5 à 15 jaar zal een dozijn staten rijp zijn voor toetreding. Voor hen is dat mateloos belangrijk en een kroon op hun streven om definitief af te rekenen met hun totalitaire verleden. Zij willen erbij horen en volop meedoen. Maar hoe moet dat dan met het Europese beleid? Het is nu al moeilijk om besluiten te nemen met 15 vetodragers. Als dat aantal tot 25 of meer toeneemt, dan zal het hele besluitvormingsmechanisme vastlopen. De 'constructie' zit ons dwars. De EU zal zich moeten herstructureren, anders overleeft ze de uitbreiding niet. De ernst van deze zaak wordt nog te weinig beseft.
Men zou zich nog kunnen troosten met de wetenschap dat alleen de grootste landen betrekkelijk ongestraft hun vetorecht kunnen gebruiken. Maar dan is het nóg urgenter om álle Brusselse besluitvorming onder het gezag en de controle van de gemeenschapsinstellingen (Commissie, Hof van justitie, Parlement en Rekenhof) te brengen. Dat is niet leuk voor de speelruimte van hoge ambtenaren en ministers. Maar het is goed voor de burgers. Zij tellen dan gelijkwaardig mee, tot welk land ze ook behoren.
En, wat nog belangrijker is, dan wordt het beleid niet meer overwegend door bureaucratische en bestuurlijke idealen bepaald. Het is de hoogste tijd dat het engagement, de morele waarden, de prioriteit voor een veilige samenleving, de zorgen en belangen en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de burgers, ook op Europees vlak, een dominante rol gaan spelen. En dáár heb je volksvertegenwoordigers voor.
In die richting denken ook de Europese liberale-democraten. Die zitten met gekromde tenen bij het onbezonnen eurosceptische gekraai over de veronderstelde bruikbaarheid van Nederlandse vetorechten dat van tijd tot tijd uit de Haagse VVD-bankjes opklinkt. Minstens sinds Hugo de Groot weten Nederlanders dat alle, en zeker kleinere, landen meer profiteren van rechtsordelijke instellingen dan van de jungle van het machtspolitieke gevecht. Nederland is aan zijn traditie verplicht om van het voorzitterschap echt iets te maken dat Europa wezenlijk vooruit helpt.
In het paarse kabinet zitten gelukkig wel enkele echte voorstanders van verdere ontwikkeling van de Europese rechtsorde. Maar betrekken we de regeringsfracties in het beeld, dan moeten we ons afvragen of de plus van Van Mierlo en de min van Bolkestein niet samen nul zullen opleveren. In ieder geval zal de Nederlandse regering de lat voor zichzelf niet zo laag moeten hangen dat falen voor 100 procent uitgesloten is. Toen Maastricht-I gemaakt werd was de toenmalige regering zeer gemotiveerd om een aantal waarden van de rechtsstaat in de Europese Gemeenschap in te dragen. Het werd geen succes; niet omdat de doelstellingen te hoog waren, maar omdat de diplomatieke aspecten en het lobbyen op het hoogste niveau verwaarloosd werden. Nu wordt het diplomatieke handwerk wellicht beter behartigd, maar de ideële drijfkracht ontbreekt.
Het lijkt erop dat straks niemand teleurgesteld kan zijn, omdat er geen verwachting en geen engagement was. Het is aan de oppositie om de brave bescheidenheid van Paars door te prikken als gebrek aan gezamenlijk engagement en een teveel aan lauwe pragmatiek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.