*

 
dossier

Archief

Historisch pianospel

CHRISTO LELIE − 29/08/96, 00:00

Toen Vladimir Horowitz nog leefde werd hij 'de laatste romanticus' genoemd. Na zijn dood kregen steeds weer andere pianisten van hoge ouderdom alsnog hetzelfde stempel opgedrukt. Een 'laatste' voorbeeld daarvan was de in december vorig jaar overleden Shura Cherkassky. Hij was inderdaad een vertegenwoordiger van een traditie van pianospelen, stammend uit de late 19e eeuw: kenmerkend hiervoor waren de vrijheid in frasering en rubato, het improviserende en instinctieve musiceren, de fraaie klank, het charmeren en het demonstreren van doorgaans vederlichte en vliegensvlug techniek.

Cherkassky had deze kunst geleerd van een pianist die in zijn tijd de roem van Horowitz en Rachmaninov wist te evenaren, maar wiens naam tegenwoordig alleen bij kenners nog legendarisch is: Josef Hofmann (1876-1957). Geboren in Polen was hij een van de beroemdste wonderkinderen (met Mozart en Liszt) uit de muziekgeschiedenis. Na zijn Amerikaanse debuut op tienjarige leeftijd in New York volgde een ware Hofmann-rage.

De jonge Josef kreeg zoveel engagementen, dat de Society for the Prevention of Cruelty to Children in actie kwam om na te gaan of deze concerten de gezondheid van het kind niet schaadden. Om een schandaal te voorkomen annuleerde Hofmanns vader alle contracten en nam zijn zoon mee naar Berlijn. Daar kreeg Josef les van Anton Rubinstein, de grootste Russische pianist uit de negentiende eeuw.

Na vervolgens vele jaren door de wereld te hebben getrokken als rondreizend concertpianist, vestigde Hofmann zich in 1926 in Amerika, waar men hem nog niet vergeten was. In datzelfde jaar kreeg hij een aanstelling aan het befaamde Curtis Institute of Music te Philadelphia. Zijn spel bleef tot het laatst toe een ongekende klasse behouden. Het werd gekenmerkt door grote vrijheden, die echter altijd smaakvol zijn; vergeleken bij veel van Hofmanns tijdgenoten is zijn toon helderder en de realisatie van de partituur veel tekstgetrouwer.

De pianokunst van Josef Hofmann kan nu herontdekt worden, sinds het Amerikaanse label VAI een serie compact discs THE COMPLETE JOSEF HOFMANN (importeur Caminada Classics, Plaats 17, Den Haag) op de markt brengt. Zo'n twintig jaar geleden was een deel hiervan op lp verkrijgbaar op het label DESMAR, dat allang niet meer bestaat. Tot nu zijn er vier delen verschenen. Om van deze oude opnames, overgenomen van wasrollen, 78-toeren platen en radio-opnames, te kunnen genieten, moet de luisteraar wel genoegen nemen met veel gekraak en een pianotoon, waarin de bas nagenoeg ontbreekt. Mijn ervaring is dat dat snel went zolang er werkelijk wordt gemusiceerd. Alleen in het eerste deel, THE CHOPIN CONCERTOS (VAIA/IPA 1002), stoort de povere klank van het orkest zo zeer dat ik deze cd met de twee pianoconcerten van Chopin niet kan aanbevelen als kennismaking met Hofmanns pianospel. Schandalig is ook dat (gelukkig alleen op dit deel) de discografische informatie volkomen ontoereikend is: het is niet eens duidelijk welk orkest speelt en wanneer de opnames zijn gemaakt!

Deel twee, THE GOLDEN JUBILEE CONCERT (VAIA/IPA 1020), bestaande uit twee cd's, met een beter tekstboekje, is veel representatiever en in alle opzichten beter geschikt om Hofmann te leren kennen. Hierop staat het complete concert dat Hofmann in 1937 in de Metropolitan Opera bij gelegenheid van het gouden jubileum van zijn Amerikaanse debuut; toegevoegd zijn enige latere, niet eerder uitgebrachte opnames. We horen hem schitteren in het vierde pianoconcert van Anton Rubinstein, en met veel charme solowerken van Chopin spelen, alsmede een hele reeks toegiften die hij aan elkaar breit met smakelijke improvisaties.

Deel 3 (VAIA/IPA 1036-2) is ook een dubbelalbum. Hierop staan o.m. de oudste opnames die van de pianist bewaard zijn gebleven, stammend uit 1903. Deze opnames worden in opnamekwaliteit, maar ook in het spel ver overtroffen door de 'Columbia Recordings' (eveens op deel 3), uit de periode 1912-1918. Evenals in de ACOUSTIC BRUNSWICK RECORDINGS, 1922-1923 (deel 4, VAIA/IPA 1047) is de pianist op het hoogtepunt van zijn technisch kunnen. Beide delen bevatten uitsluitend korte stukken, overwegend van Chopin, Liszt, Rachmaninov en Rubinstein, naast verrukkelijke salonstukjes van onbekende grootheden.

mailIcon print |