Harry Mulisch: De Oer-Aanslag. Met een toelichting van Marita Matthijsen. De Bezige Bij, Amsterdam; 109 blz. - ¿ 66,50.
Wat Mulisch bedoelde met deze cryptische zin komt helder aan het licht in 'De Oer-Aanslag', een fraai verzorgde facsimile-uitgave van de oorspronkelijke handgeschreven vellen waarin idee en plot van 'De Aanslag' al in de kiem aanwezig waren. Eigenlijk zijn het negenentwintig pagina's uit een andere, nooit verschenen roman van Mulisch: 'De ontdekking van Moskou'.
In 1961 was Mulisch begonnen te werken aan een roman over een Nederlandse schrijver die op het spoor probeerde te komen van een expeditie aan het einde van de vijftiende eeuw naar de onbekende stad Moskou. De tocht zou hebben plaatsgevonden op instigatie van de Weense bisschop Nicolaas Cusanus. Mulisch liep, net als de expeditie die hij bezig was op papier te zetten, vast in zijn roman. Niet één, maar zeker vijf verschillende, soms door jarenlange stiltes onderbroken pogingen waagde hij om het boek te voltooien. Tevergeefs.
In de tussentijd was Mulisch, zoals hij zelf in de korte inleiding bij 'De Oer-Aanslag' schrijft, 'begonnen het manuscript te plunderen'. Als bij de ontploffing van een fragmentatiebom verspreidden zich stukjes van de roman over het oeuvre van Mulisch. Zo onttrok hij in het eind van de jaren zestig het verhaal 'Paralipomena orphica' aan het manuscript en kwamen er passages terecht in 'De toekomst van gisteren' en in de novelle 'Voorval'.
In 1982 gebeurde er iets vergelijkbaars. Mulisch had het werk aan 'De ontdekking van Moskou' voor de zoveelste maal opgepakt. Op bladzijde 101 van het manuscript krijgt zijn ik-figuur hevige kiespijn. De 'ik' belt zijn tandarts, maar die wil alleen helpen als hij, net als de tandarts zelf, meeloopt in de demonstratie tegen kernbewapening die op dezelfde dag in Amsterdam plaatsvindt. Eenmaal opgenomen door de onafgebroken stroom demonstranten hoort hij een kreet door de straten van de hoofdstad golven. “Een angstschreeuw, een archaïsche grondzee, die van ons gebruikmaakte om zich te vormen”, staat er vijf pagina's later in het manuscript.
De schreeuw brengt de ik-figuur iets verschrikkelijks in herinnering: de dodelijke aanslag op een foute politieagent in de oorlog, vlak voor zijn ouderlijk huis. Als represaillemaatregel hadden de Duitsers het huis in brand gestoken en zijn ouders gefusilleerd.
Deze passage “groeide tot een gezwel, een carcinoom dat mijn roman dreigde te vernietigen”, schrijft Mulisch in de inleiding bij 'De Oer-Aanslag'. “Op 21 januari besloot ik operatief in te grijpen, de roman er van te bevrijden en het fragment uit te werken tot een afzonderlijke novelle. Ik nam een stanleymes en sneed de negenentwintig pagina's uit het dikke, folio-notulenboek, waarin ik werkte.” In de tien maanden die erop volgden werkte hij de pagina's uit tot 'De Aanslag'.
Wat nu de uitgave van dit 'gezwel' zo fascinerend maakt is dat je heel precies kunt volgen hoe 'De Aanslag' is ontstaan. Mulisch maakte op de achterzijden van de beschreven vellen lijstjes van de namen van de personages. Hij speelde met plaatsen en de data waarop verschillende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden. Hier en daar maakte hij zelfs een tekening, van een ronde tafel met vrienden en oud-verzetstrijders en de carbidlamp, die hemzelf èn zijn latere personage tijdens de oorlog ter verlichting diende.
Voor de interpretatie van de roman zijn al deze gegevens van onschatbare waarde. De toelichting bij 'De Oer-Aanslag' van Marita Matthijsen, die eerder al een bibliografie van Mulisch' werk verzorgde, maakt dat nog eens duidelijk. Toch heeft de uitgave van 'De Oer-Aanslag' een nog belangrijker effect. Tijdens het lezen van Mulisch' lastig te ontcijferen, maar o zo gelijkmatige handschrift en het vergelijken van boek en manuscript bekruipt je het sensationele gevoel in de punt van zijn schrijverspen te zijn gekropen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.