*

 
dossier

Archief

Concentreer theologie-opleidingen rond rijksuniversiteiten

L.J. VAN DEN BROM − 02/01/98, 00:00

Op maandag 15 december heeft prof. drs. M. H. Meijerink namens de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) het rapport van de visitatiecommissie Godgeleerdheid in ontvangst genomen. De commissie onder deskundig voorzitterschap van prof. dr. R. van den Broek, legt kritisch haar vinger bij het functioneren van de verschillende theologische opleidingen in Nederland.

Het karwei dat de commissie heeft geklaard, is geen sinecure, maar een wegen, vergelijken, concluderen en adviseren. Zo constateerde zij dat het geringe aantal echte theologiestudenten (1501) en de kleine toestroom eerstejaars het bestaan van 9 opleidingsinstellingen niet rechtvaardigen. Het zal op termijn moeilijk zijn om daarvoor nog voldoende gekwalificeerd personeel te kunnen aantrekken. Remedie of advies: saneren, concentreren, samenwerking. Begrijpelijk, ik vind dat ook wel, alleen. . .

Alleen zou ik wel willen zien dat de gedachte aan een sanering ook wordt beredeneerd vanuit de cijfers die boven water zijn gekomen. Het is maar hoe je naar bepaalde cijfers kijkt. Daar zit mijn probleem met het advies van de commissie-Van den Broek. Laat ik een mogelijk misverstand bij voorbaat vast wegnemen: ik beticht de commissie er niet van verkeerde cijfers te hebben gegeven. Die zullen wel kloppen, daar zorgen de rekenmeesters voor. Hoe naar die cijfers te kijken, is echter niet een kwestie van optellen en aftrekken! Daarvoor moet ik eerst - heel summier - iets zeggen over allerlei verschillen tussen de theologische opleidingen. Het is een beetje ingewikkeld maar nodig om dit weggetje af te lopen.

De commissie constateerde zelf dat de diverse opleidingen nogal verschillend van structuur waren. Het grote verschil zien we als we juist de opleidingen van de rijksuniversiteiten naast die van de confessionele instellingen leggen.

Bij de rijksuniversiteiten (Leiden, Groningen, Utrecht en Amsterdam) is de opleiding in tweeën geknipt; daarvoor gebruikt men de term duplex ordo (tweevoudige orde). Een student volgt eerst een opleiding in vakken waarin het geloofsperspectief geen primaire rol speelt. Als student leer je in deze fase van je studie naar allerlei godsdienstige aspecten kijken met de ogen van min of meer een buitenstaander. Na vier jaar doe je het doctoraal examen, zonder jezelf de vraag te hoeven stellen: Wat geloof ik er zelf van? Dat heette indertijd objectieve of waardenvrije wetenschap, volgens de criteria van de Verlichting. Aldus heeft het de koning behaagd bij de invoering van de onderwijswet in 1876. Zo is voor de bestudering van de kerkgeschiedenis of van de bijbel niet nodig dat je christen bent. Objectief kunnen we vaststellen wat er in de bijbel staat of wat er hoogstwaarschijnlijk is gebeurd.

Naast deze objectieve wetenschappelijke opleiding heeft de Hervormde Kerk sinds 1876 bij de rijksuniversiteiten een kerkelijke opleiding aangeboden die toeleidt tot het ambt van predikant. Daarin geven kerkelijke hoogleraren onderwijs in vakken waarvoor het geloofsperspectief juist primair is. Bijvoorbeeld dogmatiek of praktische theologie. Daarbij stel je je de vraag wat de bestudering van de bijbel voor de christelijke geloofsgemeenschap betekent. Ook worden er stages georganiseerd om praktische inzichten en vaardigheden bij te brengen. Als student word je zo bij de duplex ordo dus steeds met twee verschillende gezichtspunten geconfronteerd. Na twee jaar doe je dan een kerkelijk examen. Ook een aantal kleinere kerken hebben hun opleiding zo bij een rijksuniversiteit ingericht.

De confessionele instellingen (vaak rooms-katholiek of gereformeerd) kennen evenwel een simplex ordo (enkelvoudige orde). Deze vinden we in Utrecht, Nijmegen, Tilburg, Kampen en Amsterdam-VU. Bij deze opleidingen staat vanaf het begin het geloofsperpectief voorop. Als student doe je maar één examen, het doctoraal examen dat je tevens toegang geeft tot het ambt van predikant of priester, Vandaar de naam: simplex ordo-instelling. Uiteraard komen bij deze instellingen ook verschillende perspectieven in het theologisch onderwijs aan de orde, maar niet zo structureel onderscheiden als dat bij de duplex ordo-instellingen gebeurt.

Daarmee zijn er echte cultuurverschillen tussen de beide typen universitair theologisch onderwijs. Bij de rijksuniversiteiten ligt gedurig de vraag naar het verschil in wetenschappelijkheid tussen kerkelijke en niet-kerkelijke vakken op tafel. Het debat daarover weerspiegelt ook de verschillende visies die er binnen onze cultuur leven t.a.v. geloof en religie. De Hervormde Kerk hecht eraan dat haar predikanten een opleiding krijgen waarin zij van meet af aan met de kritische vragen uit de ons omringende cultuur geconfronteerd worden. Niet zozeer om het eigen gelijk te leren verdedigen (dat ook) als wel om te begrijpen in wat voor situatie je als predikant of voorganger je boodschap aanbiedt.

Als academische opleiding vindt de eerste fase van de theologische studie aan een rijskuniversiteit niet in een beschermde omgeving plaats. Het is dan ook zaak dat de kerk in die fase juist op de studenten die predikant willen worden, alert is. Het Hervormd Theologisch Instituut (kortweg: het HTWI) organiseert namens de NH kerk het onderwijs in de kerkelijke vakken bij de rijksuniversiteiten. Zij heeft daartoe kerkelijke hoogleraren en docenten in dienst. Naast hun wetenschappelijk onderwijs hebben deze docenten ten behoeve van theologiestudenten ook een pastorale rol. Al was het maar om hen te helpen de beide perspectieven bijeen te kunnen houden. In een simplex ordo liggen de confrontaties in visie en methode anders omdat hier het primaire oogmerk een opleiding is met het oog op de kerk.

Wat heeft deze (versimpelde) uiteenzetting van simplex ordo nu te maken met het visitatierapport van de commissie-Van den Broek? Heeft zij haar werk niet goed gedaan? Zoals al opgemerkt, zal ik dat niet durven zeggen. Haar kritiek is zeker constructief. Zoals al opgemerkt, zal ik dat niet durven zeggen. Haar kritiek is zeker constructief. Echter, wanneer wij de genoemde simplex en duplex ordo-opleidingen met elkaar vergelijken, dan doet zich een opmerkelijk beeld voor. De laatste vijf jaar zijn de studentenaantallen bij de duplex ordo-opleidingen - lees: rijksfaculteiten - gestabiliseerd (ietsje toegenomen). Daarentegen komt de achteruitgang in aantallen theologiestudenten (346) voor de volle honderd procent voor rekening van de simplex ordo-opleidingen - lees: de katholieke en gereformeerde instellingen. De klap is bij de katholieke instellingen het hardst aangekomen (265 studenten minder) terwijl in Kampen de teruggang miniem is (14). De rest komt voor rekening van de VU-Amsterdam.

Zijn er dan aan de duplex ordo-instellingen nooit klappen gevallen? Jawel, maar die vielen in een eerdere periode, terwijl daarna het aantal studenten bij hen gelijk bleef en bij de simplex ordo-instellingen verder terugliepen. Zo'n teruggang is op zich ook een zorgelijke toestand waarvoor de godsdienstsociologen wel een verklaring zullen kunnen of willen geven. Het punt waarop ik nu de aandacht wil vestigen betreft dat de commissie-Van den Broek spreekt over een drastische sanering zondermeer. Zij laat buiten beschouwing dat de duplex ordo-instellingen voor wat betreft de 'klassieke theologie' het nog steeds goed doen, gezien de constante toestroom van studenten. Zou dat te maken hebben met de levensvatbaarheid van deze instellingen of met hun aantrekkelijkheid voor de student?

De commissie is van mening dat de opleiding voor predikant het beste tot haar recht komt bij een simplex ordo-instelling, omdat men daar de geloofsgebonden vakken vanaf het eerste begin van de studie doceert. Voor die gedachte is wel wat te zeggen, maar mogelijk denken vele studenten met mij daar anders over. Gegeven de cijfers kan men dan ook anders concluderen dan de commissie doet. Bijvoorbeeld:

- geef alle theologische opleidingen, althans die welke teruglopen, een duplex ordo-structuur. Dan lijkt de theologiestudie overal op een studie geneeskunde.

- Of een zuiniger alternatief: concentratie, maar dan rondom de rijksuniversiteiten met een duplex ordo-structuur. In dit laatste geval zouden de confessionele delen van de studie ondergebracht kunnen worden in een seminarie of Divinity School, gelieerd aan de faculteit van de betreffende universiteit.

Het voordeel van het laatste alternatief is bovendien dat er een oecumenische bijdrage geleverd kan worden aan de cultuur niet slechts van de klassieke universiteit ter plaatse maar ook in bredere zin als effect in het debat over normen en waarden. Bovendien kunnen confessionele instellingen een landelijk overkoepelend instituut vormen net als het HTWI. Dan ben je als instelling aanwezig op en betrokken bij alle plaatsen waar theologie ontwikkeld wordt.

Tevens kunnen daardoor de niet-klassieke varianten van de theologiestudie versterkt worden. De verschillende opleidingen hebben namelijk varianten in religiewetenschap of in theologie-maar-niet-voor-het-ambt bedacht om hun studententallen te verhogen. Concentratie binnen het tweede alternatief zou mogelijk tot versterking van deze op zich interessante studies kunnen leiden.

Het HTWI is zelf betrokken bij een poging om tot een concentratie van opleidingen binnen de Amsterdamse omgeving te komen. Daar is fantasie voor nodig vanwege de verschillende onderwijsculturen van de twee universiteiten en de betrokkenheid van twee seminaries (luthers en doopsgezind). Het is vanwege de veelkleurigheid jammer dat de vroegere Katholieke Theologische Universiteit Amsterdam inmiddels verdwenen is.

Wat ik maar zeggen wil, saneren levert niet altijd winst op maar soms ook verlies.

mailIcon print |