AMSTERDAM - De aanhoudende vorst en de sneeuwval in het noorden van het land, hebben voor extra drukte in de vogelopvangcentra gezorgd. Maar van echte topdrukte is nog nergens sprake.
Veel vogels zijn op tijd naar warmer oorden in het zuiden getrokken. Dat ging vooral langs de kust gepaard met ware cold-rushes, waarbij vele tienduizenden vogels betrokken waren. Bij Scheveningen zagen trektellers op één dag ruim 10 000 scholeksters, die zich zuidwaarts spoedden. Dat zijn er veel, maar het is geen record: op 14 januari 1987 bijvoorbeeld vlogen 's middags meer dan 62 000O scholeksters naar het zuiden.
In het noorden van het land zijn vooral blauwe reigers, meerkoeten, waterhoentjes, zwanen en ganzen in problemen gekomen. Een asielhoudster in Bellingwolde (Gr.): “De blauwe reigers die hier binnen zijn gebracht gaan bijna onder je handen dood. Als ze eenmaal gaan liggen is er geen redden meer aan.”
De beheerder van opvangcentrum 'De Bonte Piet' in Midwoud (N-H) had aanvankelijk met hetzelfde probleem te maken, maar doordat de mensen de laatste dagen eerder ingrijpen als ze verzwakte vogels zien, en de dieren direct na binnenkomst onder dwang gevoederd worden, overleven ze nu veel vaker. De conditie van de vogels noemt hij slecht: “Normaal gesproken gaat 65 procent van de binnengebrachte vogels uiteindelijk terug de natuur in, nu zal dat waarschijnlijk aanzienlijk minder zijn.”
De situatie in Zeeland, dat minder dan het noorden te kampen heeft gehad met vorst en sneeuw, is ook anders dan anders. Bij 'De Mikke' in Middelburg zijn vooral wulpen,scholeksters en steenlopers binnengebracht. Ook twee roerdompen en een ooievaar zijn er tijdelijk te gast. In 'normale' winters worden hier vooral olieslachtoffers binnengebracht, maar daarvan is er nu nog geen een gesignaleerd.
Volgens zeevogelkenner Kees Camphuysen van het Nederlands instituut voor onderzoek der zee (NIOZ) op Texel moet de klap in Zeeland nog komen. “Alle 150 à 200 000 scholeksters die in de Waddenzee verbleven, zitten nu vooral in de Zeeuwse Delta. Op de hoogwatervluchtplaatsen waar ze twee keer per dag overtijen, kun je binnenkort per keer honderden dode beesten vinden. In tegenstelling tot kieviten blijven scholeksters altijd net even te lang hangen, waardoor ze in slechte conditie raken en collectief doodgaan. Dat is niet echt een ramp, sterker nog, het is goed voor de populatie. Na een paar slappe wintertjes blijkt het aandeel scholeksters met een afwijking - horrelvoeten en gekruiste snavels - zo groot te zijn, dat het goed is als de bezem daar eens doorheen gaat.”
Tijdens de tocht naar het zuiden zijn al de nodige slachtoffers gevallen. Op de Hondsbossche Zeewering toonde zelfs de raaf, die al jarenlang in de duinen bij Camperduin verblijft, belangstelling voor de tientallen lijken van scholeksters.
Er worden vrijwel nergens zielige kieviten gezien. Deze soort reageert zeer direct op naderende kou, ze laten zich maar zelden echt verrassen. Zodra het weer wat warmer wordt trekken ze snel naar het noorden terug. Een vogel die niet zo adequaat op koude reageert is de blauwe reiger.
Camphuysen: “Een deel van de vogels trekt niet weg, maar heeft zich ontwikkeld tot standvogel, dat is ook bij de blauwe reiger het geval. Zo lang de winters zacht blijven hebben ze alle gelijk van de wereld: ze zijn in het voorjaar als eerste terug in de kolonie, en dat kan erg voordelig zijn. Maar als het opeens een keer kouder uitvalt gaan ze gewoon dood. Je moet het zien als een natuurlijke manier om de erfelijke informatie te behouden, die de vogels dwingt om weg te trekken als de omstandigheden slechter worden. Een goede zaak als die genetische eigenschap weer eens een tijdje wat sterker in de populatie vertegenwoordigd is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.