Elf maanden hield Wien van den Brink het uit als voorzitter van de vakgroep Varkenshouderij van LTO Nederland. Afgelopen weekeinde brak het lijntje. Hij stapte op. “Ik ben niet blij, wel opgelucht. Het heeft nooit geboterd tussen mij en LTO.”
Van den Brink is er bekende Nederlander mee geworden, met zijn inspanningen voor de varkenshouders. Maar wel een die met gemengde gevoelens wordt gadegeslagen. Strijders voor het milieu en het welzijn van dieren zien de man met de eeuwige pijp als de verpersoonlijking van alles wat er mis is in de varkenshouderij. En vele ambtenaren van het ministerie van landbouw zullen hem ongetwijfeld een enfant terrible vinden. Als de varkenshouders maar achter me staan, zegt hij. Voor vele varkensboeren is en blijft hij degene die het onvermoeibaar voor de sector opneemt.
Toch liep het spaak tussen hem en LTO Nederland, de organisatie die pretendeert alle boeren van Nederland te vertegenwoordigen. Hoe ontspannen Van den Brink ook achterover leunt op het bankstel in zijn huiskamer in Putten, zijn teleurstelling in de standsorganisatie is groot. “Het is een visieloze, fantasieloze, strategieloze club. Toen ik in oktober 1996 voorzitter werd van de vakgroep Varkenshouderij merkte ik al dat ik binnenkwam in een mij niet welgezind bestuurderskamp.”
Van den Brink, zelf oprichter en voorman van de Nederlandse Vakbond voor Varkenshouders (NVV) moest in de vakgroep samenwerken met de in LTO verenigde regionale organisaties, zoals de Brabantse NCB, de Gelderse GLTO en de Limburgse LLTO, maar “de vijandigheid van de andere bestuurders heb ik altijd gevoeld.”
Waarom nam hij dan toch de voorzittershamer ter hand? “Omdat een overgrote meerderheid van de boeren me koos”, zegt Van den Brink. De tegenstand kwam dan ook niet van hen, maar van de gewestelijke bestuurders. “Ik ben geen bestuurder in hart en nieren, daar kom ik rond voor uit. En ik kwam niet uit LTO. Daarom was ik in wezen een kandidaat tegen LTO zelf.” Volgens Van den Brink konden de bestuurders dat niet verkroppen. “Ze hebben me nooit de ruimte gegeven die iemand verdient die met 70 procent van de stemmen is gekozen.”
Van den Brink voelde zich vaak gepasseerd, met name door de GLTO en de NCB. “Cor Das 'en/of' Antoon Vermeer van de NCB hielden me categorisch op afstand. Ze nodigden me niet of op het laatste moment uit op vergaderingen en hadden de meest vreemde kritiek: 'Wien is nooit bereikbaar.' Of: 'Wien bindt zich niet.' Echt flauwekul. Schreef jij laatst trouwens niet dat iemand van mijn NVV Van Aartsen een duw had gegeven? Da's niet waar, makker. Ik verzeker je dat het een NCB'er was, die vent.”
“Het verschil is”, zegt hij, murmelend door de combinatie van praten en pijproken, “dat ik anders denk over organisaties. Ze zijn maar een middel, 'pluche' interesseert me niks. Ik vertegenwoordig de varkenshouders. Klaar. Sommigen vinden dat ik vaker toenadering moet zoeken tot actiegroepen, maar dat vind ik niet. Dat is niet mijn taak.”
Volgens Van den Brink ontbreekt het aan moed bij de vakgroep Varkenshouderij. “Eén schaap loopt iets te blaten, en alle lammetjes blaten mee. Bij Jozias van Aartsen letten ze maar liever op hun woorden. Om daarna aan de boeren te verkopen dat de minister de boosdoener is. Maar je hebt de plicht om aan de boeren uit te leggen wat er gebeurt en wat daarin je rol is. Vinden zij dat verkeerd, dan ben jij degene die moet opstappen. Ik ben ervan overtuigd dat niemand zo veel voor de boeren heeft bereikt als ik.”
“Tja, Jozias.” Er gaat nog wat tabak in zijn pijp, hij drukt het aan met zijn duim en gaat verder onderuit zitten. “Hij komt wat arrogant over, is als mens best een fijne vent, maar heeft van landbouw geen verstand. Hij maakte gigantische fouten bij de bestrijding van de pest, zo erg dat ik zeker weet dat het fokverbod en het doodspuiten van biggen niet nodig waren geweest. Men vergeet wel eens hoe dieptriest, dieptragisch het is als een boer zijn hele stal moet opruimen.” Hij wijst met zijn pijp naar een bakstenen muur. “Daarachter ben ik geboren. In 1959 hebben we hier ook pest meegemaakt. En in 1971 brak er mond- en klauwzeer uit. Moesten alle varkens en eerste- en tweedejaars koeien worden afgevoerd. Een jaar later nam ik het bedrijf over van mijn vader.”
Van den Brink stoort zich enorm aan de volgens hem door Van Aartsen aangezette hetze tegen de varkensbranche. “Daarvoor gebruikte hij de varkenspest. Terwijl een varken het hier absoluut beter heeft dan in welk ander Europees land dan ook.” Van den Brinks stokpaardje is het gezinsbedrijf. “De komst van mega-varkenshouderijen is een slechte ontwikkeling. We hebben ooit eens strengere vestigingseisen voorgesteld voor nieuwkomers in de landbouw. Dat mocht toen niet, was je een communist.”
Maar voor Van den Brink mag een gesloten varkenshouderij met driehonderd fokzeugen best het wettelijke maximum zijn. “Daar kun je met je gezin van leven. En of je vier van die bedrijven hebt, op vier lokaties, maakt mij niet uit.” Naast twee varkensstallen en wat akkerbouw in Putten bezit Van den Brink nog een varkensstal in Drenthe en een melkveebedrijf in de Flevopolder. “Toch zijn dat ook gezinsbedrijven. Ik bemoei me absoluut niet met de dagelijkse gang van zaken.”
Het maatschappelijke belang van een 'gezonde' sector heeft ook bij Van den Brink postgevat. “Voor mijn part mag Nederland vooroplopen in alles op het gebied van milieu, dierenwelzijn en diergezondheid, zolang de concurrentiepositie niet in het geding is. Die 14 miljoen kilogram fosfaat, bijvoorbeeld, waar Jozias vanaf wil. Ik weet zeker dat hij ongelijk heeft, maar hij mag ze hebben. En strenge EU-normen? Oké, doen we. Maar het korten van elke varkenshouderij met 25 procent is pure diefstal, al was het 1 procent. Je kunt geen productierechten weghalen zonder ervoor te betalen. Elk Nederlands varken is nog altijd legaal verkregen. En wat het boerenprotest betreft: Wim Kok legde in een vorig leven het hele land al plat voor één procent.”
“Trouwens, wat denk jij”, vraagt Van den Brink peinzend, “zou het imago van de varkenshouderij nu echt zo slecht zijn?” Hij glimlacht. “Dit weekeinde ga ik naar de uitreiking van de prijs voor Pijproker van het jaar. Geinig. Maar ook een teken dat het misschien nogal meevalt.”
Hij blijft voorzitter van de NVV waarvan de 3000 leden samen eenderde van alle varkens hebben. “Daar lopen meer goede bestuurders rond dan in alle gewestelijke organisaties samen. Echt betrokken. Na vergaderingen gaat het aan de tap vaak nog lang door. Hoor je zinnige én onzinnige dingen, natuurlijk, maar je bent tenminste daar waar je moet zijn. Als ik moet kiezen tussen meegaan in een mechanisch gedrocht als LTO of mezelf zijn, dan weet ik het wel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.