Van onze parlementsredactie DEN HAAG - De PvdA hield de spanning er lang in. Pas toen woordvoerder Van de Zandschulp zijn op schrift gestelde bijdrage aan het debat over de Ziektewet liet verspreiden - rond één uur 's middags - werd duidelijk met welk eigen voorstel de sociaal-democraten kwamen.
Een lid van de Eerste-Kamerfractie schepte er kort daarvoor nog veel plezier in om naar nieuws vissende verslaggevers af te schepen met een raadseltje. “Waar grijpt de PvdA nu altijd naar, in gevallen als deze?” Het antwoord 'een fonds' werd schamper weggehoond, waarna de senator zich uit de voeten maakte.
Het bleek dus wel degelijk om een fonds te gaan, te vullen door werkgevers, en te gebruiken voor maatregelen om de kansen voor gehandicapten en chronisch zieken op een baan te vergroten. De redenering erachter: als werkgevers maatschappelijke kosten veroorzaken (werkloosheid onder de genoemde groepen) door bij het aannemen van nieuw personeel strenger op de gezondheid te letten, dan moeten ze daar ook maar voor betalen, conform het uitgangspunt: de vervuiler betaalt. Alleen de werkgevers die kunnen aantonen dat ze een bepaald percentage gehandicapten of chronisch zieken in dienst hebben, hoeven de heffing niet te betalen.
“Het is een essentieel en dominant onderdeel van mijn betoog”, aldus kenschetste Van de Zandschulp het belang dat de PvdA-fractie hecht aan het aanvaarden van haar voorstel. “Mijn fractie doet hiermee een uiterste poging om ons onoverkomelijke probleem met de Ziektewet van een oplossing te voorzien.” Anders gezegd: wordt dit niet geaccepteerd, dan stemmen we tegen.
Wekenlang hadden de PvdA-senatoren de spanning rond de behandeling van de Ziektewetplannen in de Eerste Kamer opgevoerd. Zij hadden de grootst mogelijke moeite met de plannen, die in 1994 zijn vastgelegd in het paarse regeerakkoord, en waarmee hun partijgenoten in de Tweede Kamer wel al hebben ingestemd. De tegenstribbelende senatoren hebben in elk geval bereikt dat invoering per 1 januari 1996 niet is gelukt. Streefdatum is nu 1 maart.
Prikkelen
Vanaf die datum zijn werkgevers wettelijk verplicht om zieke werknemers gedurende maximaal een jaar minstens 70 procent van het loon door te betalen. Sinds 1 januari 1994 geldt die verplichting voor twee (kleine bedrijven) respectievelijk zes weken (grote ondernemingen). Het kabinet denkt met uitbreiding van die periode werkgevers zo te prikkelen, dat ze er alles aan zullen doen om ziekteverzuim te voorkomen. De verwachte besparing: uiteindelijk 900 miljoen gulden per jaar.
In de Eerste Kamer kreeg het kabinet - vertegenwoordigd door staatssecretaris Linschoten (VVD) van sociale zaken en werkgelegenheid - gisteren nog de meeste steun van de coalitiefracties van VVD en D66. De VVD steunde de kabinetsplannen voluit, D66 wilde wel nog de toezegging van het kabinet dat aan een aantal nadelige effecten iets zou worden gedaan.
Van de oppositie (CDA, GroenLinks, SP, GPV, RPF, SGP, Senioren 2000) had het kabinet niets te verwachten. Die zette de nadelige effecten stevig aan. Mensen met een zwakke gezondheid zouden nauwelijks nog kansen hebben op de arbeidsmarkt: werkgevers zouden alleen nog maar gezonde werknemers willen aannemen, met wie ze geen risico zouden lopen. Bedrijven zouden veel meer gebruik gaan maken van losse krachten, voor wie ze bij ziekte geen loon hoeven door te betalen. Werkgevers zouden op ziek personeel oneigenlijke druk gaan uitoefenen om toch maar zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan. De sprong van een eigen risico van twee weken naar één jaar zou voor kleine bedrijven veel te fors zijn.
Was het niet beter eerst de stap te maken naar een eigen risico van 26 weken? En kon het voorstel tot afschaffen van de Ziektewet niet beter wachten totdat ook het wetsvoorstel tot het privatiseren van de WAO (ook een voornemen uit het regeerakkoord) op tafel lag? Dan kon het parlement beide voorstellen in samenhang beoordelen en zich ook een beter beeld vormen van de maatregelen die het kabinet in petto heeft om de arbeidsmarktpositie van mensen met een zwakke gezondheid te verbeteren.
Staatssecretaris Linschoten bereed in zijn verdediging van de plannen twee sporen. Aan de ene kant verdedigde hij de lijn van het kabinet voluit. In het oude systeem, zo betoogde hij, was het te makkelijk om de kosten van ziekteverzuim af te wentelen op een vaag collectief. Het is het beste om de kosten daar te laten neerslaan, waar de verantwoordelijkheid voor het ziekteverzuim ligt: bij de werkgever. “Die gaat niet alleen het risico dragen, maar hij krijgt ook de mogelijkheid om dat verzuim te beïnvloeden, ondersteund door de deskundigheid van de Arbo-diensten.”
'Stukje ethiek'
Het andere spoor bestond uit de erkenning dat het gevaar van onbedoelde nadelige effecten op de loer ligt. “Het meest pregnante stukje ethiek”, zo noemde Linschoten het. “Een duivels dilemma. Als je werkgevers financieel prikkelt om een goed verzuimbeleid te voeren, dan betekent dat ook een prikkel om niet te veel mensen binnen te halen die dat risico groter maken. Dat heeft het kabinet zich ook terdege gerealiseerd. Maar dat gevaar is aan de andere kant niet nieuw. Chronisch zieken hebben altijd een moeilijke arbeidsmarktpositie gehad. En het kabinet heeft het nodige gedaan om daar iets aan te doen.
Speciale aandacht had de staatssecretaris uiteraard voor het voorstel van de PvdA. Immers: zonder de steun van de sociaal-democraten zou het kabinet geen meerderheid krijgen voor de Ziektewetplannen. Linschoten zag 'interessante, nieuwe elementen' in de suggestie van de PvdA. Hij beloofde in de door de PvdA aangegeven richting verder te zoeken naar mogelijkheden om met scherpere maatregelen te komen ter verbetering van de positie van gehandicapten en chronisch zieken. Alleen over de vormgeving daarvan wil hij nog wel even praten met de sociaal-democraten. Moest het per se een nieuwe heffing zijn? En een nieuw fonds? Er bestaat toch immers al een arbeidsongeschiktheidsfonds. En er valt toch wat te doen met de WAO-premie: wat hoger voor slechte, en wat lager voor goede werkgevers?
De benadering van de staatssecretaris bleek voldoende voor de PvdA. Woordvoerder Van de Zandschulp was het om het even of het om een bestaande of een nieuwe premie ging. “Het gaat om een omslagpremie. En de opbrengst ervan moet aantoonbaar worden aangewend voor mensen met een handicap, met een ziekte, die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Er moet een zichtbare relatie zijn tussen de opbrengst van die premie en de besteding ervan.”
Op dat moment was de politieke spanning rond de Ziektewet weg. Tussen kabinet en PvdA restte nog slechts een (later te voeren) discussie over de vormgeving van een maatregel. Waar enige tijd rekening mee werd gehouden, dat premier Kok met een kabinetscrisis zou moeten dreigen om de PvdA tot instemming met de Ziektewetplannen te dwingen, bleek niet meer nodig.
Het kwam Van de Zandschulp wel op de hoon van de oppositie te staan. GroenLinks-fractievoorzitter De Boer peperde de PvdfA-fractie in dat de toezegging van het kabinet niks voorstelde. Immers, het kabinet kan onmogelijk garanderen dat de Tweede Kamer met een dergelijke maatregel zal instemmen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.