*

 
dossier

Archief

Met je liefste doden het meeste lachen

SELMA SCHEPEL − 09/01/97, 00:00

Ik vond het veelgeprezen praatje van de koningin over rouwen mooi geformuleerd, maar typisch het verhaal van stuurlui aan de wal, van iemand die zelf weinig heeft meegemaakt op dat gebied.

Een oma dood, of een schoonmoeder, wie heeft dat niet? Maar wat het werkelijk betekent om je allerliefste te verliezen, je ouders, je kind, je echtgenoot, dat weet ze op haar achtenvijftigste nog niet. Ze schijnen de rijkste vrouwen van Nederland te zijn, de Oranjes, maar dit vind ik hun echte rijkdom: dat je beide ouders nog leven als je 58 bent, dat ze zelfs nog bij elkaar zijn en ook nog wonen in het huis waarin je geboren bent en opgegroeid. En ook nog op safari gaan met de hele familie voor hun zestigjarig huwelijk.

Dat is voor mij niet weggelegd. Niet in de laatste plaats omdat ik allang ruzie gezocht zou hebben met een vader en een zoon die dieren doden voor de lol. Ik beken het maar, het is iets wat altijd blijft steken: als ik lees dat Henk Angenent een maatschap met zijn vader heeft, dat z'n vader een sprint inzette om bij de huldiging te zijn, als z'n moeder glunderend wordt geïnterviewd, als vriendinnen gezellig bij hun oude vader of moeder op de koffie gaan, dan ben ik jaloers. Het is wel veel minder geworden in de loop der jaren, omdat ik door een soort omgekeerd inhaalgedrag met mijn kinderen de gemiste ouder-kindrelatie toch wel beleefd heb.

Maar door mijn ervaringen zal ik nooit zo'n sip verhaal over de dood houden als de koningin deed. Toen ik zeventien was zette mijn vader, of wat daar voor doorging, me het huis uit omdat hij elders met een nieuw gezinnetje een nieuw leven begon. Mijn moeder was toen allang dood. Het JAC, de kraakbeweging, de bijstand bestonden nog niet, voor veel ongelukkige meisjes was toen de verpleging de oplossing: je kreeg kost en inwoning, een opleiding en verdiende ook nog wat.

Daar heb ik heel wat doden afgelegd. De eerste keer huilend, maar gaandeweg begon ik het een plezierige bezigheid te vinden, omdat ik merkte dat doden lang niet zo dood zijn als gedacht wordt. Het spel van het leven, dat Monopoly met eenzijdig, dictatoriaal opgelegde regels, lijkt ronduit sadistisch als je het nog niet door hebt. Want welke hufter verzint er anders zoiets: dat de liefste mensen die je kent zomaar ineens stil vallen, wegrotten, voorgoed helemaal verdwijnen?

Een van mijn liefste vriendinnen stierf vorige week. Haar kinderen schreven in de rouwadvertentie: “Het enige dat verdwijnt is de aanmaak van nieuwe herinneringen”. En zo is het. Ze vroegen me een praatje te houden bij de begrafenis. Dat deed ik graag, want het was een vrouw waar ik enorm mee gelachen heb. Memento mori en carpe diem sluiten elkaar voor mij niet uit. Ik ben nooit meer geschokt, verwilderd als wie dan ook sterft: het is wat te verwachten valt.

Daarom moet je veel lachen met je dierbaren en tegelijk met ze omgaan alsof elke dag de laatste kan zijn. Dan vergaat je het lachen nooit. Met mijn liefste doden kan ik het meeste lachen. Dat zou ik voor mezelf ook het mooiste vinden, het hoogst haalbare: als mensen die mij goed gekend hebben na mijn dood moeten lachen als ze aan me denken.

mailIcon print |