*

 
dossier

Archief

'Ja, de schoenen gaan ook naar Nederland'

AAFKE JOCHEMS − 06/01/96, 00:00

“Ik zou graag voetballer willen worden”, vertelt de dertienjarige Fernando. “En ik vuilnisman”, fluistert zijn één jaar jongere broer Joao hem in zijn oor. Hun zus Maria van veertien, die eerst zegt dat ze vijftien is, moet even nadenken. Ze besluit dat ze kapster had willen worden.

Fernando, Joao en Maria staan op kousevoeten in de schaars gemeubileerde woonkamer van hun huis in hun dorpje in noord-Portugal. Het is een koude, klamme zaterdagavond en binnen is het net zo onbehaaglijk, omdat er geen verwarming is. De enige verlichting is een peertje aan het plafond, dat een naargeestig licht uitstraalt. Fernando, Joao en Maria vertellen over hun toekomstdromen, maar ze weten heel goed dat hun toekomst al bepaald is. Zij hebben geen andere keus dan van jongs af aan te werken in de schoenenindustrie.

Maria werkt vanaf haar dertiende in een schoenenfabriek. Ze is al een keer veranderd van baas, want haar eerste baas ontsloeg haar toen ze ze haar werk niet goed deed omdat ze ziek was. Nu krijgt ze voor een volle werkweek 38 000 escudos per maand, ruim 400 gulden. Fernando zegt in eerste instantie dat hij in de vierde klas van de lagere school zit, maar later vertelt hij vol trots dat hij ook al een baan heeft. School vond hij niet leuk en nu helpt hij een koopman schoenen te verkopen op de markt. Joao gaat soms naar school. Hij zit in de derde klas, maar heeft het niet zo naar zijn zin. Hij helpt, net als zijn negen broers en zussen, zijn moeder thuis met het naaien van schoenen. Moeder, die weduwe is, laat zien wat het werk inhoudt. Ze naait met de hand de bovenkant van de schoenen van het bekende en dure merk Kickers. Het is geen eenvoudig werk, want het leer is erg stug. Ze krijg zo'n drie kwartjes per paar en per uur verwerkt ze 2 à 3 paar. Overdag maakt ze openbare toiletten schoon, maar met dat geld kan ze niet rondkomen. Vandaar dat ze sinds 12 jaar thuis schoenen naait en al haar kinderen helpen mee: tijdens schooltijd, na schooltijd of na werktijd. Niemand die er raar van opkijkt, want veel gezinnen in de omgeving werken zo.

Kinderarbeid is een verschijnsel dat vooral in het noorden van Portugal voorkomt, maar het bestaat ook in de rest van dit land van de Europese Unie. Grove schattingen geven aan dat het om zo'n 200 000 kinderen gaat. In het relatief dichtbevolkte noorden van Portugal domineert naast de schoenenindustrie ook de kledingindustrie, waar eentonig werk en primitieve machines de boventoon voeren. De heersende mentaliteit is die van hard werken, ook al verdien je erg weinig. Het gemiddelde salaris in dit gebied is namelijk nauwelijks hoger dan het Portugese minimumsalaris van 52 000 escudos (ongeveer 575 gulden) per maand. Het werkloosheidspercentage ligt boven het Portugese gemiddeld van zo'n zeven procent, zodat armoede er geen ongewoon fenomeen is. De gezinnen zijn over het algemeen groot en een aanzienlijk deel van de huidige volwassenen is als kind begonnen met werken, waardoor zij kinderarbeid en analfabetisme als iets normaals beschouwen. Toch behoort Portugal tot de eerste landen die de Rechten van het kind van de Verenigde Naties ondertekenden en paste in navolging daarop begin jaren negentig de wetgeving aan. De wet bepaalt dat een kind minimaal negen jaar naar school moet en dat hij op zijn vroegst met vijftien jaar mag beginnen met werken. Vanaf 1997 is dat zelfs zestien jaar.

Aldoa Mendes, vakbondsman in de noordelijke stad Braga en gespitst op werkende kinderen op de arbeidsmarkt, ziet echter bijna dagelijks hoe de wetgeving faalt. “Als de baas beboet wordt omdat bij hem in de fabriek een kind werkt, betaalt hij de boete, maar stuurt het kind niet weg. Het is voor hem goedkoper meerdere malen boete te betalen en het kind onder te betalen, dan het kind te verruilen voor een volwassene. Een kind is goedkoop en kan niks eisen, want het is officieel niet in dienst en dus heeft het geen rechten”, betoogt Aldoa Mendes. Door de aandacht die onder andere de pers de laatste jaren op kinderarbeid heeft gevestigd, is dit verschijnsel meer in de clandestiniteit geraakt. “Je komt nog wel eens kinderen tegen als straatmakers of hulpjes in de bouw”, vertelt Aldoa Mendes, “maar het is ontzettend moeilijk om ze in een fabriek op te sporen. De deuren zijn potdicht en als de arbeidsinspectie of wij toch binnenkomen is het kind al via de achterdeur naar buiten gewerkt. Om door de mazen van het net te kruipen, is de tendens van de bazen nu dat ze de kinderen thuis laten werken. Er is een heel netwerk opgezet van busjes die bijvoorbeeld zakken met materiaal voor schoenen op een bepaalde plek afleveren en de zakken met afgewerkte schoenen ophalen. De kinderen zie je op straat met een zak lopen en je weet dat ze dadelijk uren thuis gaan zitten werken, maar je staat machteloos, want je kunt niets doen. Niemand, en dus ook de politie niet, heeft het recht om het huis binnen te gaan.” Aldoa Mendes betreurt het dat een kind ervoor kiest om te werken. “Er zijn kinderen die het op school niet leuk vinden en als ze eenmaal verdienen, hoe weinig ook, raken ze gewend aan het bezit van geld”, aldus Mendes.

Deolinda Machado is voorzitster van 'Cnasti', een confederatie die verschillende organisaties omvat die strijden tegen kinderarbeid. Zelf begin ze, zoals ze zegt, 'per toeval' op haar dertiende te werken en dat vond ze toentertijd heel normaal. “Die mentaliteit geldt nu nog voor talloze mensen in deze streek. Ze denken: 'Ik heb als kind gewerkt, dus waarom mijn kinderen niet?' Ouders moeten inzien dat hun kind meer toekomst heeft als het kan spelen en naar school gaat”, vindt Deolinda Machado. “Maar ja, wat doe je als je kind je enige bron van inkomsten is omdat je zelf langdurig werkloos bent en nooit een vak hebt geleerd? Daarom is bijstand iets waar we al jaren voor ijveren en gelukkig is de nieuwe socialistische regering van plan dit in te voeren.”

“Onderwijs is voor ons ook enorm belangrijk”, gaat Deolinda Machado verder. “De docenten zijn de aangewezen personen om kinderen te motiveren om te leren. En ze kunnen werkende kinderen opsporen, want als ze niet naar de les komen, kan het betekenen dat ze werken. Er zijn ook kinderen die én werken én naar school gaan. Tijdens de les vallen ze in slaap en een docent zou actie moeten ondernemen.” Dat laatste gebeurt echt heel weinig. De school schiet tekort, want aan de ene kant wordt niet ingegrepen als leerlingen langdurig afwezig zijn en aan de andere kant is de school niet in staat kinderen te boeien. Fernando en Joao maakten het al duidelijk: ze vinden het niet leuk in de klas en zonder problemen blijven ze weg, net als veel buurtgenootjes. Een enkele docent stuurt een brief naar de ouders, die meestal nauwelijks kunnen lezen, en daar blijft het dan bij.

Vasco Ferreira hoorde bij de eersten die begin jaren tachtig de alarmbel luidden om de aandacht op de kinderarbeid te vestigen. Zo'n vijftien jaar later is hij nog even strijdlustig, ondanks het feit dat hij een paar keer lichamelijk is aangevallen. Hij heeft meerdere malen moeten verhuizen en woont nu op een geheim adres met een geheim telefoonnummer. Een maand geleden hielp hij een buitenlandse tv-ploeg om een documentaire te maken over kinderarbeid in Portugal. Tijdens het werk zag hij dat schoenendozen, bestemd voor Nederland, ingeladen werden op vrachtwagens. Schoenendozen die komen uit de fabriek waar de veertienjarige Maria werkt. Haar zwager Antonio, die ook op de fabriek werkt, bevestigt dit. “Elke vrijdag vertrekken de vrachtwagens met schoenen naar veel landen van Europa. Ja, ook naar Nederland.”

mailIcon print |