*

 
dossier

Archief

JAN BRAND

CO WELGRAVEN − 06/01/96, 00:00

Jan Brand, hoofdcommissaris van de Haagse politieregio stak deze week zijn jongens en meisjes een hart onder de riem. Het door de IRT-enquête beschadigde imago van de Nederlandse politie gaat slechts op voor een zeer klein deel van de Hermandad.

Een paar keer per week kom ik een uur eerder naar Den Haag. Dan ga ik paardrijden. De hoofdcommissaris van Haaglanden rijdt mee op Prinsjesdag, hij opent zelfs de stoet. Daarvoor moet je dus wel een beetje op een paard kunnen zitten. Die oefening doe ik 's ochtends vroeg. Als het slecht weer is in de manege, maar meestal ga ik naar buiten. Wat is er mooier dan op een paard door de duinen rijden of langs het strand? Ik vind het schitterend.

Vandaag heb ik niet m'n uniform aan. Gisteren wel. Ik draag het uniform wanneer het functioneel is. Niet als ik één agent moet beëdigen, zoals vandaag, maar wel als het om een hele groep gaat. M'n collega Nordholt uit Amsterdam draagt altijd een uniform. Dat is zijn keus. Ik hecht zeer aan het uniform, ik draag het met plezier, maar ik wil niet in een strak schema zitten.

Tot 1 april ben ik nog voorzitter van de Raad van hoofdcommissarissen. Ik doe dat nu bijna twee jaar. Vooral die functie brengt veel vergaderingen met zich mee. Vandaag is er bijna de hele dag mee gevuld. Hoeveel uren ik in de week maak, dat kan ik echt niet zeggen. Ja, toch wel boven de 60, 70. M'n vrouw zegt wel eens: wanneer eet je nou thuis deze week? Ik probeer de zondag in ieder geval niks te doen, op zaterdag probeer ik ook thuis te zijn. En ik ga twee keer per jaar met vakantie.

Het leukste van m'n baan vind ik dat aan m'n mensen kan overbrengen dat er waardering is voor datgene wat ze doen. Met oud en nieuw zag ik op televisie een agent van ons op het strand bovenop de brandstapel staan, hij gaf aanwijzingen hoe het vuur bij die verbranding van de kerstbomen moest worden opgebouwd, legde uit wat het beleid van de politie is. Dan denk ik: dat zijn toch mensen om trots op te zijn. En als ik met een wijkagent op stap ga, en ik zie wat zo iemand weet van zijn wijk, wat hij doet, wat z'n inbreng is, dan zeg ik: dat is toch gigantisch.

De mensen die in het korps komen werken, wil ik altijd persoonlijk ontmoeten. En ik besteed ook aandacht aan de mensen die vertrekken. Iedereen heeft er bij aankomst of vertrek recht op dat hij de hoogste baas van het bedrijf ziet. Ik nodig ze per brief uit, men heeft de vrijheid om te komen, maar ik moet zeggen dat eigenlijk iedereen altijd wel langskomt.

Het was toeval dat vrijwel alle korpschefs het in hun nieuwjaarstoespraak over de IRT-enquête hadden. Nee, we hebben dat niet vantevoren afgesproken. Maar het is heel begrijpelijk. De IRT-affaire heeft toch een vrij negatief beeld van de politie laten zien. In m'n toespraak heb ik benadrukt dat het om een heel klein deel van de Nederlandse politie gaat. Verreweg de meeste agenten hebben in 1995 ontzettend hard gewerkt en vreselijk hun best gedaan.

Ja, natuurlijk heb ik naar Youp van 't Hek gekeken. Hij is een grandioze cabaretier. Hij bracht het goed. Ik heb ook vreselijk moeten lachen. Het zat er in dat-ie iets ging zeggen over doorvoer van drugs. Ook ik vind dat komisch.

De ondertoon van wat hij zei, daar is natuurlijk ook iets van waar. Maar aan de andere kant vind ik het dan goed dat wij in onze nieuwjaarstoespraken toch nog eens even het accent op de andere kant hebben gelegd. Er moet nog heel veel verbeterd worden, maar bedenkt u wel dat ook in 1995 de meeste politiemensen met ontzettend veel enthousiasme gewerkt hebben, dat was de boodschap.

Youp van 't Hek suggereerde dat wij de leiders van de drugshandel zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Ik blijf het acceptabel vinden, dat heb ik ook in mijn verhoor door de commissie-Van Traa gezegd, dat wij met informanten werken. Als wij onder onze ogen tweehonderd kilo heroïne laten doorgaan, en we kunnen daardoor vijfduizend kilo pakken, dan moet je dat toch doen?

Nee, het gezag van de politie-agent is door de IRT-affaire niet aangetast. Hij komt in z'n werk nog zoveel respect en waardering tegen, het publiek is niet zo ontevreden. Maar de politie-ambtenaar wordt er thuis, op bruiloften en partijen, wèl op aangesproken. En dat vindt-ie vervelend. Het is moeilijk om iedere keer in zo'n situatie te roepen: maar jongens, ìk doe het wel goed. Je gaat er dan toch in mee.

Ik hoop dat de commissie-Van Traa een antwoord geeft op de vraag: is de georganiseerde misdaad nou een probleem, of niet. Wij als hoofdcommissarissen hebben gezegd dat het een probleem is. Onderzoekers komen tot dezelfde conclusie. Als we het daar over eens zijn, zijn we al een heel eind.

Wij vangen boeven. Dat zullen we blijven doen. Maar boeven vangen, dat is een symptoom aanpakken. Je moet het doen, hoor, anders krijg je een hoop ellende. Maar als je almaar roept: boeven vangen, boeven vangen, boeven vangen, dan vergroot je weliswaar het potentieel van de politie, maar je bereikt alleen maar dat de criminaliteit harder wordt.

We moeten tegelijkterijd de problemen in de maatschappij aanpakken, en daar is de politiek voor. Slechte huisvesting, slechte scholing, noem maar op. De bestrijding van de werkloosheid is veel belangrijker dan de symptoombestrijding waar wij mee bezig zijn. Als er onrust in de binnenstad is, moet je je niet alleen afvragen: wat doen we er aan, maar ook: waarom is die onrust er? Wij roepen als politiechefs wel eens tegen de politiek: probeer niet de discussie over de maatschappelijke problematiek weg te drukken door te roepen dat de politie hard met het symptoom bezig moet zijn.

We zijn hier in de regio Den Haag trouwens al goed op weg. We zijn met de gemeenten projecten aan het opzetten om iets te doen aan de probleemjongeren en de probleemverslaafden. Die staan voor een aanzienlijk deel van de criminaliteit. Ik vind het de winst van de afgelopen jaren dat er op lokaal niveau de bereidheid is ontstaan om veel en veel meer met elkaar samen te werken.

We hebben het aantal roofovervallen naar beneden weten te krijgen. Dit jaar gaan we ons richten op de inbraken in woningen, die nemen helaas nog steeds toe. We doen aan buurtpreventie. In moeilijke wijken zijn er handhavingsteams. Daarin werken agenten samen met mensen van de gemeentelijke diensten. Ze proberen de leefbaarheid te verhogen, met soms geweldige resultaten. We lossen het maatschappelijk probleem niet op, maar we bereiken wel wat.

Er is voor mij geen enkele reden om het boetekleed aan te trekken, zoals Den Besten van de Nederlandse Spoorwegen heeft gedaan. Mijn stelling is dat een groot deel van de publiciteit zich richtte op een klein deel van de politie. Er zijn een paar negatieve rapporten over ons verschenen, van de Algemene Rekenkamer bijvoorbeeld. We hebben een CAO-conflict gehad. En we zitten ook nog met de naweeën van de reorganisatie. Dat was een gigantische klus. Ik vind het dan ook ontzettend normaal dat wij de zaken nog niet helemaal op orde hebben. Als politie-organisatie weten we zelf donders goed dat we nog een aantal zaken moeten verbeteren. Daar hoef ik het boetekleed niet voor aan te trekken. Het is niet uit de hand gelopen.

Dit is een baan waar je dag en nacht mee bezig bent. Je loopt altijd met een pieper op zak, er kan op elk moment wat gebeuren. Aan m'n hobby's kom ik nauwelijks toe. Ja, paardrijden, dat is een hobby geworden. En op zondagochtend loop ik een uurtje hard. Of ik maak een fietstocht met m'n eega. Maar verder slokt dit werk je gewoon op. Ik zeg dat niet met een ondertoon van: kijk mij eens zielig wezen. Ik vind het een schitterend vak, ik geniet er alle dagen van.''

mailIcon print |