*

 
dossier

Archief

architectuur

ROBBERT ROOS − 31/08/96, 00:00

AMSTERDAM - Bouwen in het historische hart van Amsterdam is voor een vooruitstrevende architect geen sinecure. Dat ondervond ook Ben van Berkel toen hij zes jaar geleden begon aan het ontwerpen van een multifunctioneel complex aan de Nieuwezijds Kolk in Amsterdam. Met zijn gelaagde architectuur infiltreert Van Berkel in de zeventiende-eeuwse steegjes en twintigste-eeuwse winkelstraten. En dat leidt op sommige plekken tot onvermijdelijke botsingen.

Het is bijna of je een dreun voor je kop krijgt als je op de Nieuwezijds Voorburgwal zorgeloos langs de zeventiende-eeuwse pandjes in de richting van het Centraal Station loopt. Als een vervaarlijke boksbal helt de pui van het kantoor van reclamebureau Ogilvy & Mather over het intieme pleintje van de Kolk. Een kolossaal groen beglast ding. Wat schaal, maat en identiteit betreft pleegt het een forse aanslag op de verfijnde structuur van de omringende panden. Het lijkt de opvatting te bevestigen dat modernistische architectuur niet past in zo'n pittoreske oude omgeving.

Van Berkels project alleen op basis van deze plompe pui diskwalificeren is echter niet terecht. Het is een incident in een verder heel zorgvuldig plan. De architect toont zich juist heel gevoelig voor de stedenbouwkundige context waarin hij moest werken. Want hoe leuk gemêleerd, intiem en museumachtig de oude Amsterdamse binnenstad ook is, het is óók een ratjetoe aan vormen, kleuren en bewegingen. Er is nauwelijks structuur of eenheid. Architectonische stijlen zwermen door elkaar en het straatbeeld is een opeenvolging van losse beslissingen. Van Berkel gaat hier in zijn project in mee en laat de pluriformiteit van de omgeving terugkomen in zijn gevels. Hij zet de 'traditie' voort, maar balt het samen in een eigentijdse vorm.

Invloeden Van Berkel kreeg te maken met een veelheid aan invloeden. Ten eerste bestaat het totale project uit drie losse bouwdelen, die van elkaar zijn gescheiden door een steegje en de Kolk. Daarnaast had hij te maken met de sferen van de Nieuwezijds Voorburgwal - een verkeersader -, de Nieuwendijk - een smalle overvolle winkelstraat - en nauwe steegjes met restaurantjes, winkeltjes en woningen. En tot slot moest hij kantoren, een hotel, woningen en een winkelcentrum herbergen. Bij zoveel diversiteit kun je óf iets heel abstracts maken en dat als een op zichzelf staande serene vorm in de omgeving zetten, óf je past je aan aan de schizofrenie van de context. En dat laatste heeft Van Berkel gedaan.

De veelvormigheid van de gevels is op sommige plekken extreem. Uitstulpingen en instulpingen, schuingeplaatste wanden, diverse soorten materialen, diagonale lijnen, ramen, balkons en blinde muren, alles is aanwezig in de gevel van Hotel Inntel die uitkijkt over de Kolk. De compositie lijkt één grote chaos, maar het werkt toch. Juist omdat het zo past in de pluriformiteit van de omgeving.

Het is zelfs redelijk dapper om een dergelijk ingewikkelde gevel te ontwerpen. Het beheersen, kanaliseren van chaos is een veel lastiger karwei dan het maken van een strak, eenduidig vlak. Dat is aan Van Berkel wel besteed. Je zou hem een 'infrastructureel architect' kunnen noemen. Zijn dynamische vormentaal - de rechte lijn en rechte hoek lijkt taboe - komt niet voort uit 'vormwil', maar uit het opslokken van stedenbouwkundige en architectonische informatie uit de omgeving. Bij het uiteenrafelen van het gevelpatroon is elk lijntje en iedere richting te verklaren. Op zich heb je hier als kijker niets aan - het beeld moet spreken zonder voorkennis -, maar Van Berkel weet je wel het gevoel te geven dat alle vormen een inhoudelijke oorsprong hebben.

Het ging Van Berkel bij de Kolk niet om het maken van een esthetisch gebouw. Daar is de plek ook niet naar vindt hij zelf. De structuur van de stad is belangrijker. Hij is allereerst op zoek gegaan naar de infrastructurele oplossing en heeft daar een vorm bij gevonden. Zo bekijk je door de nauwheid van de stegen en straten de meeste gevels van opzij en niet frontaal van voren. Het bespelen van deze perspectivische vervorming was een belangrijk thema bij het componeren van de wanden.

Hoewel De Kolk net is opgeleverd, is het eigenlijk een oud project. Het werd ontworpen in 1991, in de beginperiode van Van Berkels bureau. Hij was toen zeer geïnteresseerd in het werk van beeldend kunstenaars als Francis Bacon en Jackson Pollock. Zo boeit hem de manier waarop Bacon vormen laat samenvloeien tot een nieuwe geheel. Een oor gaat bij de melancholische portrettist over in neus en mond waardoor een nieuwe interpretatie van een gezicht ontstaat. Op eenzelfde manier laat Van Berkel bij de Kolk karakteristieke elementen in de façades vervloeien tot een nieuw soort gevelbeeld.

In de recente werken is Van Berkel iets strakker: hij heeft minder materialen en vormen nodig om tot een beeld te komen. Steeds meer gaat hij zich ook interesseren voor 'vloeibare' architectuur: wanden die vloer, plafond en zelfs meubelstuk worden.

In De Kolk is de architectuur duidelijk nog een som der delen. Door veel zorg te besteden aan de detaillering, weet Van Berkel binnen de diversiteit toch een harmonie te bereiken. Het is alleen jammer dat die zorgvuldige detaillering juist bij het meest opvallende bouwdeel - de pui van het kantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal - ontbreekt. Deze trekt daardoor onterecht negatieve aandacht. Als mens ben je nietig onder de massa van deze gevel, terwijl Van Berkel de bezoeker juist in het hotel en het winkelcentrum zich zo op zijn gemak laat voelen.

mailIcon print |