De Nederlandse fotograaf Wim Lamboo reisde voor en na de val van de Muur door het Oostblok, omdat hij wil laten zien dat op onverwachte en vaak vergeten plekken ook mensen leven met hun eigen dromen en idealen - ja, zelfs in het Oostblok. Zijn portretten zijn verzameld in een tentoonstelling die dinsdag in het Poolse Kielce wordt geopend.
Hoe komt een Nederlandse fotograaf aan een tentoonstelling met 65 Poolse kunstenaarsportretten in Kielce, een stad 120 kilometer ten noordoosten van Krakau? Wat een antwoord moet worden, wordt al snel een verhaal dat verder voert dan Warschau, Krakau en Kielce en het aantal gefotografeerde kunstenaars daar. Het pad voert naar het oude Tsjecho-slowakije en de val van de muur in 1989. Naar Havel, toen hij nog een kamertje stond te schilderen van een collega en de krochten van de nauwe steegjes in het Praag van de ondergrondse Charta 77-beweging. En zelfs daar blijft het niet bij, want uiteindelijk brengt het hele verhaal Lamboo terug naar het begin waar alles begonnen is, terug naar zijn belangstelling voor mensen die in de schaduw leven van god mag weten wie of wat.
Gezeten op een wegzinkbank vlak aan een lage ronde voorkamertafel van zijn nieuwbouw-appartement in de oude Leidse binnenstad, laat Lamboo (47) zijn eerste foto's zien. Ze zijn niet in Polen of Tsjechië of Slovenië gemaakt maar in Wales, ergens tussen Cardiff en Swansea, ter hoogte van Rhondda Valley. Daar, vertelt Lamboo, had je de Mardey Pit, een van de laatste van 65 mijnen die op de fles gingen. “Ik was er in 1984 ten tijde van een mijnwerkersstaking. Ook een van de laatste grote stakingen uit het gebied. Het gebied was pikzwart, het deed me denken aan die oude foto's uit Amerika uit de jaren dertig, van die Adams-achtige bariet-tinten, prachtig. Maar de werkelijkheid was verschrikkelijk. De mensen woonden in een lange straat op weg naar de mijn, Long row geheten. Ze hadden geen cent te makken en toch mocht ik overal logeren, mee-eten. Hoewel ik de staking ook verslagen heb, vielen me vooral de figuren en gezichten op. Toen ben ik mijn eerste portretten gaan maken. Kijk (en hij werpt een - zelf uitgegeven - ansichtkaart op tafel alsof hij een partijtje klaverjassen wil), deze man heeft zijn leven lang in de mijn gewerkt, nu zit hij daar: slechte ogen, slechte longen in een stoel bij de kolenhaard; ongeveer alles wat hij had. Of deze: een kaalgeschoren no future-kop met kistjes. En die dan: een vrouw voor haar bouwvallige huis - niks hadden ze. Niks. Soms droom ik er nog wel eens van. Van Wales, van die mensen, de totale uitzichtsloze positie van die kinderen daar - wat zou er na de mijnsluiting van hen geworden zijn? Wie weet ga ik nog wel eens terug. Naar de Long Row.”
Naast freelance-opdrachten, zoals het maken van popfoto's en nieuws- en reisfoto's voor kranten en tijdschriften, zette Lamboo, ooit zijn loopbaan begonnen als wiskundeleraar, zijn belangstelling voor portretfotografie voort in een serie portretten van Leidse kunstenaars. De serie, die in 1989 in de Lakenhal tentoongesteld werd en ook in boekvorm verscheen, gaf niet alleen een beeld van 90 kunstenaars maar ook van het bloeiende kunstleven van een stad in de marge. Toen hetzelfde najaar de Muur viel en in Praag de kunstenaars letterlijk aan de macht kwamen (Havel en Dienstbier), bedacht Lamboo een soortgelijk project als het Leidse, maar dan in Tsjecho-slowakije. Lamboo: “Ik wilde altijd al iets met Tsjecho-slowakijke doen. In 1987 was ik er al geweest om de fotograaf Jan Saudek te bezoeken. Saudek (onder meer bekend om zijn kitscherige, quasi-erotische portretfotografie, red.) vertelde me dat hij sinds de Praagse lente van '68 ondergronds was gegaan. Tijdens de repressie werden al zijn negatieven in beslag genomen. Nooit heeft hij er iets van teruggezien, ook na '89 niet. Of ze liggen nog ergens in een oude doos bij de staatsveiligheidsdienst, of ze zijn verbrand.”
“Via-via brachten bekenden van Saudek me dat jaar ook in contact met de muzikanten en theatermensen van de zogenaamde 'Jazz section'. Overdag werkten die jongens in fabrieken en 's avonds maakten ze in alle stilte muziek. Ja zo ging dat, gek is dat, nog maar zeven jaar geleden. Dat was bijzonder indrukwekkend. In het beroemde Jugendstil-café Slavia werden de journalist Rik van Boekel en ik op een gegeven moment benaderd of we Vaclav Havel wilden ontmoeten. We zeiden natuurlijk 'ja' en via een lange dwaaltocht door allerlei steegjes en via metro's, de tram en de bus en weer allerlei straatjes werden we naar een adres in de stad gebracht. We belden aan, en wie deed daar open in een oude overall? Havel zelf. Stond-ie het plafond te schilderen bij een vriend, waar hij logeerde.”
“Ik had hem in 1990 graag voor mijn serie over Tsjechische en Sloveense kunstenaars willen strikken. Maar toen was contact niet meer mogelijk. In '89 al niet meer. Ik heb hem zijn foto nog gestuurd met een brief erbij. Maar kreeg geen antwoord meer. Te druk, denk ik. Andere vooraanstaande kunstenaars uit die periode die ik wel bereid vond aan mijn serie mee te doen waren de graficus Martin Wilgus, de schilder Ales Lamr, Jindrich Streit, de beeldhouwer Milan Knizek, Joseph Jankovic, Kurt Gebauer en Jiri Sopko, de man bij wie Havel het huis in '87 stond te schilderen. Hun namen zie je nu ook wel in het internationale kunstcircuit opduiken: Streit en Sopko zijn bijvoorbeeld in Parijs ontdekt en werken daar ook. Knizek is directeur geworden van de academie in Praag en van Gebauer, die net als Appel ook veel theaterdecorstukken maakt, staan er nu beelden in het Belgische beeldenpark van Middelheim.”
Veel kunstenaars wisten na de fluwelen revolutie van '89 niet wat hen overkwam, vertelt Lamboo als hij terugkijkt op zijn reizen naar Brno, Bratislava en Praag van 1990 en '91. Zo ontmoette hij in Brno een schilder die zijn eigen werk voor het eerst in dertig jaar bij elkaar in een overzichtstentoonstelling zag. “Die man kreeg vijf zalen voor zijn werk ter beschikking en raakte totaal in de war. Opeens mocht hij ook als schilder herkend worden, kwam er een boek en mocht hij vrijuit over zijn werk spreken. Het laatste schilderij had hij helemaal in touwen gewikkeld en liet hij, symbolisch genoeg, vrijwel geheel ingepakt staan. Daarmee wilde hij ook door mij geportretteerd worden. Wat me verder het meest bijgebleven is van die tweede reis? De veerkracht van die kunstenaars. Geld was er niet, iedereen had wel een of twee baantjes erbij, maar hoe dan ook, ze begonnen te reizen en er ontstonden al snel uitwisselingsprogramma's met andere landen. Vooral de banden tussen Praag en Parijs zijn opmerkelijk.”
Nee, zegt Lamboo, het is niet een goedkoop maniertje: eerst Leidse, dan Tsjechische en tenslotte wat Poolse kunstenaars op de foto en hup, klaar Lamboo. “Het is vanzelf gegaan. Het idee om naar Polen te willen, ontstond in Bratislava. Daar keek ik tegen de zuidflank van het Tatra-gebergte aan en dacht: hoe zou het aan de andere kant zijn? Polen is zo'n ander land. Armer, kaler en met een totaal andere geschiedenis. Zie de overheersing van de rooms-katholieke kerk en die unheimische traditie van anti-semitisme... dat fascineerde me.” Maar, geeft hij toe, er was ook een banalere reden: “Na de Tsjechische expositie, die ook in Enschede en Amsterdam te zien was, zou er, in samenwerking met een stichting die de belangen van Oosteuropese kunstenaars zei te behartigen, een boek verschijnen. Maar door allerlei omstandigheden kwam dat er niet. Toen dacht ik: dan ga ik alleen verder. En zo ben ik, eerder dan ik van plan was, naar Polen gegaan.”
“Polen was inderdaad anders dan Tsjechië en Slowakije. Geslotener, het kunstenaarsleven volstrekt anders. Ambachtelijker, religieuzer en in sommige gevallen ook zichtbaar beïnvloed door het staatscommunisme.” Terwijl hij het zegt, laat hij een aantal kleinere afdrukken van de naar Polen gestuurde portretten zien. Op eentje staat een beeldhouwer uit Kielce. Jarenlang maakte hij offiële beelden met sportlieden erop. “Zo heb ik hem ook gefotografeerd, bij de steengroeve van Kielce met een klein sportbeeldje erbij. De man zei niet veel. Niets eigenlijk. Je kon alleen merken dat hij, arm, zijn oude status kwijt was en nauwelijks nog opdrachten had.” De invloed van het oude systeem was ook in andere dingen sterker merkbaar dan in Tsjechië of Slowakije. Toen Lamboo in Krakau ('een zwaar vervuilde maar tegelijkertijd ook prachtige barokke stad die ongeschonden uit de oorlog tevoorschijn is gekomen') kwam bijvoorbeeld, merkte hij dat veel mensen nooit zelf snel een beslissing durven nemen. “Altijd een ander erbij halen en vragen: wat vind jij ervan?” Besluiteloosheid dus, waar alle oude kaders zijn weggevallen, hoewel, soms, zegt Lamboo, zie je dat de oude verbanden weer wel werken. “In Warschau organiseert de Fotografievakbond, die zich overigens al vroeg op één lijn met 'Solidariteit' verklaarde, op 't ogenblik bijvoorbeeld veel workshops. Ze nemen een thema, zoals 'het milieu' en bieden kunstenaars dan aan om een weekend in het zuidoosten aan de rand van het Tatra-gebergte in een soort oerbos van gedachten te wisselen en het thema in beeld te brengen. Daarna wordt er dan een expositie georganiseerd.”
Wat de fotograaf verder in met name Kielce en omgeving opviel, was de opbloei van de religieuze kunst: “Ik heb een man in Ostrowice bezocht die na de omwenteling talloze opdrachten van de kerk kreeg om beelden en ornamenten te maken. Hij had een gigantische werkplaats even buiten de stad. Het leek wel een Italiaans atelier uit de renaissance. De man had ook wel tien vaklieden in dienst.”
Ernstig tenslotte: “Er is bij ons maar weinig belangstelling voor Oosteuropese kunstenaars omdat wij toch allemaal denken dat alles hier gebeurt. Van de Polen die ik gefotografeerd heb, hebben alleen de graficus Mieczyslav Wassilewski en Jacek Sroka in Nederland geëxposeerd. En dat terwijl er zoveel talent zit. Ik weet wel dat wat ik doe niet wereldschokkend is, maar daar gaat het niet om. 'Interpretatieve ontmoetingen', noem ik mijn foto's wel eens: of het die lokale kunstenaars in Leiden zijn, de onbekende Havel in zijn overall of al die kunstenaars in Polen, ik wil alleen maar laten zien dat op veel onverwachte en vaak een beetje vergeten plekken ook mensen leven met hun eigen dromen en idealen. Zo van: dit is een schilder, hij komt daar vandaan, maakt dit en dat is zijn of haar lievelingsding. En zet je ze allemaal bij elkaar, dan heb je een indruk van een geschiedenis. Neem die foto van de fotograaf Waldemar Jama uit Katowice. Die heeft zowat zijn hele leven gewijd aan het fotograferen van de resten van Auschwitz en Birkenau. Ik heb hem dan ook tegen die achtergrond gefotografeerd, liggend op het grind, bij het prikkeldraad. Ook dat is Polen.”
Woensdagmiddag. Vlak voor hij naar Warschau en dan Kielce vertrekt hoort Lamboo dat zijn kist met foto's heel is aangekomen. Op de vraag of er nog problemen waren, zegt hij kort: “Invoerrechten hè, dat wel. Daar moest bij de douane grof voor betaald worden. Hoeveel? Veel, laat ik het daar maar op houden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.