*

 
dossier

Archief

EN OVERAL HELPT RIJKSWATERSTAAT EEN HANDJE

TIJS VAN DEN BOOMEN − 30/05/98, 00:00

Vlieland

De kogels scheuren door de geluidsbarriere. Doorzeefde tanks staan te roesten in de zandwoestijn, oefenbommen met staartvinnen liggen als dode vissen in het zand. Onder dekking van de herrie broeden vogels onverstoorbaar in de stuifduinen. Elke vrijdagmiddag maakt sergeant-majoor Andries Schreuder (54) de range schoon, “150 ton schroot op jaarbasis”. In een dichte sneeuwbui is hij wel eens verdwaald op de vlakte van vierhonderd hectare. “Vanwege het drijfzand kun je dan alleen maar wachten tot het opklaart.”

Na een half uur is de eerste slot van de ochtend voorbij en krijgt de Vliehors-Expres met toeristen toestemming over de Navo-range te rijden. Een Engelse marine-officier die te gast is in de commandotoren, zegt verbluft: “Ondenkbaar is dat bij ons, wij oefenen alleen in afgelegen gebieden.” Het wil er bij hem niet in dat Vliehors voor Nederland afgelegen is. Klachten over geluidsoverlast komen vooral van Texel. “Sinds de bouw van vakantiepark De Krim hebben we problemen met de overkant. Echte bommen mogen we alleen nog op de winterdag gooien. Onze hinderwetvergunning loopt tot 2013, daarna is het maar net welke regering je hebt”, zegt Schreuder gelaten.

Vlieland vangt de zeestromen op voor de andere Waddeneilanden. In de duinen ten oosten van het schietterrein priempt de silo van een asfaltcentrale omhoog. Een Noord-Hollands aannemersbedrijf mengt hier gietasfalt. Bij laag water wordt de stroperige massa op de strekdammen gesmeerd. “De hoeveelheid werk is gehalveerd”, bromt een arbeider achter zijn boterhammentrommeltje. “Het schijnt slecht te zijn voor het milieu, dus spuiten ze steeds vaker zand op. Maar ik moet nog zien of dat houdt, de zandsuppleties hebben nog geen serieuze storm meegemaakt.” Vijftien jaar werkt hij al op Vlieland. Door de week zit hij in de kost, in het weekend gaat hij naar de wal. “Hier in het dorp gaan wonen? Geen haar op mijn hoofd, als er een muis over straat loopt weet iedereen het.”

Netjes stranden de witte golfkoppen in de vakken tussen de strekdammen. In een flauwe bocht strekt een lint van palen zich uit over het strand. Bij strandpaviljoen 't Badhuys verbiedt een bord strandgasten zich hier 'met ontbloot onderlichaam' te bevinden. De omschrijving is onwelvoeglijker dan de daad. Zoals overal langs de kust heten vakantiehuizen Flierefluiter en Vrijbuiter, Blanke Top en Juttersteyn. De naambordjes Turkse Tortel en De Bom zijn een verademing. Van een roerende eenvoud is Anna. Soort bij soort schuifelen toeristen door de lange lindenlaan van het dorpje Oost-Vlieland: bejaarden, schoolkinderen, collega's, reünisten, Duitsers. In bezoekerscentrum de Noordwester kunnen zij 'geestelijk jutten'. Of anders souvenirs inslaan bij Kadotiek

't Kwetternest. Twintig gekleurde kleuters komen aan een touw uit de crüche. 'Smakelijk eten, smakelijk eten. Hap, hap, hap', zingen ze parmantig. De aanvankelijk omstreden asielzoekers integreren snel.

Nog geen tweehonderd auto's telt Vlieland, vooral om boodschappen te doen aan de wal. 'Het tankstation is geopend op maandag, woensdag en vrijdag van 15.00 tot 16.00 uur', bericht de lokale krant. “We hebben wel een pinautomaat”, zegt de ambtenaar van gemeentewerken, die komt aansloffen met de kassa onder zijn arm, “maar niet iedereen houdt daarvan. Jaap bijvoorbeeld betaalt contant. Hij gooit altijd twintig jerrycans van vijf liter vol en verkoopt die in het weekend, als het hek hier op slot is, aan bootbezitters.” Even verder, op de uiterste punt van Vlieland, ligt de jachthaven. De masten van de bruine vloot zetten een uitroepteken achter het eiland.

Terschelling

Rode en groene boeien markeren de tweebaans waterweg van Vlieland naar Terschelling. Als een bus hangt de snelboot schuin in de bochten, in de rugleuning van de stoelen zitten kotszakjes. De dames van de boot zijn gekleed in stewardessen-blauw: “Wij verzoeken u te blijven zitten totdat de boot helemaal stilligt.” In de haven stelt de vaarwegmarkeringsdienst pop art ten toon. Felgekleurde boeien van vijf meter, manshoge kegels met een triomfantelijk hijsoog, grijsbetonnen contragewichten als reuzenpastilles. Roestige boeien wachten in een hoek op een verfje.

Via de portofoon is betonningsschip De Terschelling juist opgeroepen om een omgeslagen zeilschip rechtop te zetten. “Terschellingers zijn de nieuwsgierigste mensen van Nederland”, zegt een schilder, “iedereen luistert de hele dag naar de portofoon. Kijk maar naar de daken, overal staan witte sprietantennes op de daken.” Verderop aan de haven ligt het internaat van de hogere zeevaartschool, een voormalig hotel. “Met de eilanders hebben we weinig contact. Zij noemen ons zeebiggen, wij hen into's.

Ze snappen gewoon niks van studenten”, zegt tweedejaars Bonnie Schokker. Van knokpartijen met de dorpelingen zegt ze niets te weten, “dat is iets van de jongens”. Heimwee kent ze niet. “Het eerste jaar misschien, toen ik nog een vriendje aan de wal had.” Nu heeft ze een verkering in huis, zoals bijna alle meisjes van haar jaar. Aan de muur hangen halfnaakte torso's van Chippendales, voorlopig is ze meer gehecht aan haar pluchen Bugs Bunny. “Ik ben tenslotte nog maar achttien”, zegt ze trouwhartig.

In de duinen vlijt een asfalteermachine een strakke strook grijze smurrie op de fietspaden, een mengsel van schelpen en klei uit de Waddenzee. “Normaal asfalteren we snelwegen”, zegt de machinist, “zo'n schelpenpad is niet anders. Alleen zitten er levende krabbetjes in.” Tastend proberen de versufte krabben weg te komen. Ze hebben nog twaalf uur, dan komt de wals. Ook bij Paal Acht is het toeristenseizoen in voorbereiding. Drie tribunes vormen een tijdelijk amfitheater op de duinparkeerplaats, de spelers van de Dogtroep broeden op een stuk voor het Oerolfestival. Eenzaam ligt appartotel Beek op de zeereep geprikt, rondom duinen zo ver het oog reikt. De jaren-vijftigflat blikt over zee, was hangt te drogen op de balkons.

Zomer 1995 arriveerde de Iraanse Adel Gaschagollian (15) in dit asielzoekerscentrum, zijn vader Abdi (40) zat er toen al acht maanden. “Na twee weken had ik al zomervakantie. Ik dacht dat het wel meeviel met het Nederlandse weer. De wind en het ijs kwamen later.” Inmiddels is hij gewend en weet hij dat je bij storm kunt jutten. “Dan gaan ze allemaal met jeeps het strand op. Maar er spoelt bijna nooit iets aan.”

Alleen dat gescheld op 'moffen' begrijpt hij niet goed. “Een jongen in mijn klas heeft een hekel aan Duitsers omdat ze de koe van zijn opa hebben doodgeschoten. Nou ja!” Abdi houdt van de rust en de stilte van het eiland, hij voelt zich 'bijna Terschellinger'. Zoon Adel wil wel wat meer actie. Volgend jaar gaat hij misschien naar een kostgezin aan de vaste wal, want op het eiland is alleen een mavo. “Het lijkt me wel moeilijk om weer iedereen achter te laten.”

Verder oostwaarts, vanaf paal 18, heeft Rijkswaterstaat het helm in schuine rijen geplant om het zand over de zeereep te laten stuiven. Strakke duinen en gras zijn uit, vloeiende overgangen en 'knopbiesvegetatie' zijn in. Ook de steile stuifdijk langs de Boschplaat - een Europees natuurreservaat - moet in beweging komen. In de jaren dertig is het duin met veel moeite aangelegd, nu kan de verantwoordelijke projectgroep bijna niet wachten op een spontane stormvloedgeul. Voorlopig maakt de zee weinig aanstalten.

Ameland

'Zeeverkeerspost Ameland' staat op het naambordje van de rood-wit gestreepte vuurtoren, een onderdeel van het DGSM: Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken. “Doen Geen Sodemieter Makkelijk Zat, zullen ze bedoelen”, sneert vuurtorenwachter Dries van der Laag. Sinds een paar maanden zit hij in de ziektewet. “Wegens cultuurverschillen, zo heet dat tegenwoordig toch?” Hij grossiert in kwinkslagen, maar de frustratie zit diep. “De torens zijn alleen nog maar 's zomers bemand, en dan nog alleen als er niemand ziek is of met verlof.

Dan neem je je werk toch niet serieus? Die ambtenaren weten niks van de zee, negen maanden hebben ze op vruchtwater gedreven, dat is de enige keer dat ze hebben gevaren.'' De pers heeft hij erbij gehaald, bij de minister thuis is hij geweest. Zonder succes. Nu geeft hij lezingen, knapt oude reddingsboten op en verhuurt zijn ouderlijk huis.

De vochtige duinvalleien zijn bijna wulps lichtgroen, riet en lissen wuiven in de wind. Grijsgeel zijn de droge delen, een maanlandschap bekleed met een angoratrui van helm. Overal liggen keutels, in de schemering spelen konijnen Waterschapsheuvel. Het enige menselijke spoor zijn de condensstrepen aan de hemel. En het schelpenpad met fietspompen die om de paar kilometer aan een ketting liggen.

Net als in Friesland hebben de kerktorens op Ameland geen torenspits, maar een tweezijdig schuin dak. Daarmee houdt de invloed op: met Fries onderwijs hoeft de provincie niet aan te komen. Ameland is zijn verleden als Vrije Heerlijkheid nog niet vergeten, hier bepalen ze zelf wel hoe ze hun eiland inrichten.

Bij Nes kronkelt de 120 meter lange zwemglijbaan - 'Voor slijtage van badkleding zijn wij niet aansprakelijk' - als een boa constrictor boven het dorp uit. Het Natuurmuseum legt de laatste troffel aan een betonnen blauwe vinvis op ware grootte. 'Ameland, gekomponeerd door de zee', schrijft het museum. Dat weerhoudt ze niet van een tentoonstelling onder het motto: 'Ameland en Rijkswaterstaat, al eeuwen een hechte relatie'. Hier geen plannen voor duindoorbraken en verstuiving, Rijkswaterstaat is nog 'onze hoop in bange dagen'.

Prikkeldraad staat fier overeind, de bordjes verboden toegang zijn niet ondertekend met het obligate artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht, maar met artikel 3 van het Rijkszeeweringenreglement. Dat klinkt heel wat barser.

Duitsers hebben de statige boerderijen in de dorpskernen opgekocht, de eilanders wonen in premie A-woningen aan de rand. Toerisme bepaalt het ritme van het eiland. “De zomerdag is iedereen spekkoper, maar in de winter lopen er veel in de steun”, zegt Janny Wijnbergen (50). Haar man heeft een installatiebedrijf, in de zomer heeft ze gasten met logies en ontbijt. Een sterke gezondheid heeft ze niet. “Op een eiland leeft iedereen met je mee. Toen ik in Leeuwarden in het ziekenhuis lag, kreeg ik een schoenendoos met kaarten. Ook van mensen tegen wie ik op straat alleen 'dag' zeg.” Daar staat wel een scherpe sociale controle tegenover.

In het oosten eindigt het eiland zoals het begint: met een rood-witte toren. Hij staat op een groot booreiland voor de kust. Dit verdwaalde stukje Maasvlakte is te danken aan de milieubeweging. Tien jaar geleden kreeg zij het voor elkaar dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij slechts een gasproductiestation op het eiland mocht bouwen. De tweede kwam toen gewoon drie kilometer uit de kust, pal in het zicht. Het duinstation is verlaagd aangelegd en omgeven door nepduinen, zelfs het hekwerk heeft een schutkleur.

Alleen bandensporen op het strand verraden de locatie: bij paal 23 draaien die plots het duin in. Op het vasteland gaat de NAM onverdroten voort. Drie oranje vlammen flakkeren boven de Friese kust: de gasputten van Munnekezuil worden opgestart. Een wegwiekende roofvogel laat zijn spartelende prooi vallen en duikt terug naar de grond.

Schiermonnikoog

De grillige zandvlakte doet denken aan de buik van een aangespoelde vis: wit, geel, grijs, beige en alle kleuren daartussenin. In de verte blauw water, daarachter opnieuw een streep geelbeige zand waar een boot overheen lijkt te schuiven. De haakse zandplaat voor de kust van Schiermonnikoog bereidt de wandelaar een fata morgana.

Ook de vuurtoren speelt het spel mee: verpakt in wit plastic lijkt het een schepping van kunstenaar Christo. De werkelijkheid is Nederlands nuchter: groot onderhoud. Kleine stuifduintjes verheffen zich manmoedig op de vlakte, aan de luwe zijde groeit helmgras. Vandaag worden ze in de rug aangevallen door een straffe oostenwind. Scholeksters steken in sluippas het strand over. Hier geen tractorbus zoals op Ameland, maar een nostalgische huifkar met trekpaard: 'met de Jan Plezier over Schier'.

Ter hoogte van het poepbruine Strandhotel staan stookbakken op het strand, zelf vuurtje stoken is echter strikt verboden. De informatiekrant verwijst naar 'de diensten van de heer L. Balk'. Nationaal Park Schiermonnikoog moet tenslotte iemand kunnen aanspreken op de naleving van de regels.

Duizend inwoners heeft de kleinste gemeente van Nederland en drieduizend huurfietsen, eenvoudig te herkennen aan het ijzeren staafje om de zadelhoogte te verstellen. Verder beschikt het dorp over twee ambulances: een four-wheel drive om patiânten overal op te pikken en een 'rijdende ziekenboeg' die met patiânt en al de boot oprijdt. Aannemer Wiebe Meintema (37) is een van de zeven vrijwillige ambulancebroeders.

“Eerst heb ik zeven jaar bij de brandweer gezeten, maar daar gebeurde me te weinig.” Zo'n zeventig keer per jaar rukt de ambulance uit, meestal voor oververhitte bejaarden, fietsongelukken of kinderen die uit een stapelbed zijn gevallen. “Tien procent is ernstig, meestal zijn dat eilanders. Dat is aangrijpend, want die patienten ken je persoonlijk.”

Ongeveer honderd vrijwillige hulpverleners staan klaar bij calamiteiten, bij de Redding Maatschappij, het Reddingteam, het brandweerkorps en de ambulancedienst. Na even rekenen concludeert huisarts Johan Wilbrink (39) dat dat een op de drie volwassen mannen van het eiland is. Twee jaar geleden kwam hij met zijn vrouw - ook arts, 'twee halen, een betalen' - vanuit de tropen naar het eiland. Hij wordt wel eens moe van de constante oproepbaarheid en de zeer hoge verwachtingen in Nederland. “Er bellen zelfs mensen voor een ziek hondje. Daar begin ik dus niet aan.”

In het dorp hangen voor veel ramen protestposters: 'Laat het wad met rust; tegen gas uit de Waddenzee!!!' Ongeveer de helft van Schiermonnikoogs inwoners is import, onder hen veel hoogopgeleide vutters met een zee van tijd. “Een zeer kritische bevolking, die zich uiterst betrokken voelt bij al het wel en wee”, zegt de kersverse burgemeester dapper. Op het naburige Ameland, dat al twee boorlokaties telt, is geen poster te zien. Bij paal tien sloeg de zee dertig jaar geleden een groot gat in de duinen. Nu staat er dwars over het brede strand een rij strenge paaltjes van Natuurmonumenten: de oostelijke helft van het eiland is vogelreservaat.

Bars wordt de wandelaar een halt toegeroepen door Wetboek van Strafrecht en Natuur Beschermings Wet. Een strook van honderd meter langs de branding is toegankelijk voor tweebeners.

Aan het einde van zandplaat Balg zijn in de verte vage gele strepen te zien: Simonszand, Rottummerplaat en Rottummeroog. Sinds 1990 mogen deze eilandjes hun gang gaan en sindsdien wandelen ze richting Duitsland. Over een jaar of vijftien zal Rottummeroog, met voogdwoning en al, de geul van de Eems bereiken en langzaam kopje ondergaan. Elk jaar plaatsen vrijwilligers stuifschermen om de ondergang van het eiland af te remmen. In weerwil van het officiâle beleid helpt Rijkswaterstaat een handje mee. Want de natuur echt haar gang laten gaan, dat krijgen Nederlanders niet over hun hart.

mailIcon print |