Van een onzer verslaggeefsters UTRECHT - De Nederlandse Organisatie Vrijwilligerswerk (NOV) keert zich fel tegen het voorstel van staatssecretaris De Grave (VVD, sociale zaken) om de onbelaste onkostenvergoeding van 25 gulden per week voor vrijwilligers te verhogen naar 40 gulden. De vrijwilligersorganisaties kunnen een dermate hoog bedrag domweg niet betalen, stelt de NOV.
In een brief aan de Tweede Kamer stelde De Grave, mede namens zijn collega Vermeend (PvdA, financiën), eind vorige week voor om de huidige betalingsregeling voor vrijwilligers te wijzigen. Het maximumbedrag dat vrijwilligers jaarlijks aan vergoedingen mogen ontvangen wil het kabinet verhogen van 1200 naar 1400 gulden. De Grave en Vermeend hebben het dan over de zogeheten forfaitaire vergoedingen, dat wil zeggen vaste bedragen waarbij geen rekening wordt gehouden met de onkosten die feitelijk zijn gemaakt.
Het kabinet honoreert in haar voorstel niet de motie van fractievoorzitter Rosenmöller van GroenLinks, die in juni 1997 verzocht om de grens van 1200 naar 2000 gulden te verhogen. Volgens Rosenmöller, die voor zijn motie steun kreeg van de Kamer, zal deze verhoging de deelname aan vrijwlligerswerk stimuleren. Ook De Grave en Vermeend tonen zich voorstander van een grotere deelname aan het vrijwilligerswerk, maar een verhoging naar 2000 gulden is naar hun mening daartoe niet het juiste instrument.
“Met een forse verhoging neemt het risico op oneigenlijk gebruik - verkapt loon - toe. Vrijwilligerswerk zou dan financieel aantrekkelijker kunnen worden dan betaalde arbeid op het niveau van het minimumloon”, schrijven de bewindslieden. De Grave en Vermeend wijzen er ook op dat vrijwilligers in de praktijk het maximumbedrag (nu dus 1200 gulden) niet eens halen, omdat zij in de regel niet meer dan 35 weken werken.
De NOV keerde zich eerder ook tegen de motie van GroenLinks, maar zij ziet evenmin iets in het voorstel van het kabinet. De verhoging van 25 naar 40 gulden per week doet het volgens de NOV op papier goed, maar zal in de praktijk een 'loos gebaar' blijken. De meeste vrijwilligersorganisaties - en zíj zijn degenen die de onkosten betalen - zullen immers nooit zulke hoge vergoedingen kunnen opbrengen. Bovendien vreest de NOV 'claim-gedrag': mensen zullen een vergoeding gaan eisen, terwijl de organisaties aan hun eisen niet eens kunnen of willen voldoen.
Eind vorig jaar concludeerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in een adviesrapport dat veel vrijwlligers geen behoefte hebben aan een hogere onkostenvergoeding dan de huidige 1200 gulden per jaar. Uiteraard maken zij telefoon-, reis- en kopieerkosten, maar daarvoor blijkt de 1200 gulden doorgaans toereikend. Volgens de RMO mag het vergoeden van onkosten aan vrijwilligers niet worden verward met een inkomensverbetering van mensen met lage inkomens. “Een verhoging zou vooral vrijwilligers trekken die het werk voor het geld willen doen”, constateerde de RMO. Ook het NOV spreekt van 'pure inkomenspolitiek' als het voorstel van De Grave en Vermeend zou doorgaan.
Kortom, de politiek en 'het veld' staan lijnrecht tegen over elkaar. De meeste vrijwilligersorganisaties, blijkt uit onderzoek, vrezen dat het karakter van het vrijwilligerswerk verandert als geld een te grote rol gaat spelen. “Wij vinden dit echt een principe-kwestie”, reageert directeur J. Klaassen van de Zonnebloem, “de politiek mag best een alternatieve Melkert-baan verzinnen, maar ik vind het verkeerd als de politiek zelf het signaal afgeeft dat geld een motief wordt om voor vrijwilligerswerk te kiezen.” Klaassen vreest een 'vervuiling' van het vrijwilligerswerk, het fundamentele karakter van dit werk wordt in zijn ogen geweld aangedaan, als vergoedingen bewust omhoog gaan om mensen te gaan lokken. “De mensen die daarop reageren, zal ik niks kwalijk nemen, maar de overheid moet dit toch niet stimuleren?” Een moeilijk punt in de discussie is dat de ettelijke vrijwilligersorganisaties, waarvoor totaal 3 miljoen vrijwilligers zich inzetten, onderling sterk verschillen. Een kleine sportclub werkt heel anders dan een buurthuis en het Rode Kruis en Greenpeace weer heel anders dan de tafeltje-dekje-organisaties.
In haar advies waarschuwde de RMO voor een tweedeling tussen rijke en arme organisaties, indien de jaarlijkse vergoedingen inderdaad omhoog gaan. Vooral de grote organisaties proberen altijd de werkelijk gemaakte kosten te vergoeden. “Voor ons maakt het niets uit als de week-vergoeding veertig gulden wordt”, weet D. de Wagenaar van het Rode Kruis (32 000 vrijwilligers), “wij keren uit wat de mensen aan maaltijd- of verblijfskosten declareren. Die kosten hebben ze gemaakt, dus het is terecht dat ze die terugkrijgen.”
Ook een woordvoerster van Amnesty International (AI) zegt dit beleid te volgen. Voor Amnesty is eerder de stimuleringsregeling 'lastig', die de vergoeding regelt voor vrijwilligers die ook een uitkering hebben. “Zij kunnen vijf gulden per dag bovenop hun uitkering krijgen. Elke sociale dienst hanteert deze regel echter anders; zelfs elke deelraad - of de consulenten per deelraad - volgen vaak een verschillend beleid. Ik ben benieuwd of de overheid ook dáár wat aan verandert.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.