*

 
dossier

Archief

De Turkse cyclus

J. HARTOG − 29/07/97, 00:00

Terwijl de Nederlandse textielindustrie sinds het eind van de jaren zestig in een lange lijn omlaag gleed, speelde zich in het ondergrondse Amsterdam een eigen cyclus af in de Turkse confectie-industrie. Uit nood geboren, opgebloeid tot een krachtige trekpleister voor Turkse immigranten, geknakt door beëindiging van het gedoogbeleid.

Toen in de loop van de jaren zeventig massaal werkgelegenheid verloren ging in de Nederlandse industrie, werden gastarbeiders daar zwaar door getroffen. Ongeschoold werk verdween, gebrek aan scholing en kennis van de Nederlandse taal belemmerde de overstap naar nieuwe banen. Maar er bleken mogelijkheden in de ondergrondse markt voor goedkope kleding. Productie vlak bij de afzetmarkt, snelle reactie op modegrillen gecombineerd met onverwijlde uitvoering van orders. In deze markt werd voorzien door kleine Turkse ateliers. Ondernemers en arbeiders genoeg. Er was vakkennis, door de achtergrond van de textielsector in thuisland Turkije.

Het ruime aanbod van werklustigen werd moeiteloos aangevuld door een toestroom van arbeiders uit Turkije voor wie het lage loon in Nederland hoog genoeg was om in het vliegtuig te stappen. In 1983-'85 en in 1989-'90 spoelden twee immigratiegolven uit Turkije over Amsterdam. In de topdagen, zo tussen 1991 en 1993, waren er minstens 10 000 illegale Turken werkzaam in de Amsterdamse confectiesector.

Tot 1993 kon de sector zich dankzij het gedoogbeleid betrekkelijk ongestoord ontwikkelen. Zodoende konden we in Amsterdam een arbeidsmarkt waarnemen die eigenlijk uitgestorven was. Niet op de gewone wijze, maar door naar binnen te glippen en persoonlijke relaties aan te knopen. Een Turkse student, Aslan Zorlu, heeft die wereld van binnen uit verkend en daar boeiend verslag van gedaan.

Onder de streep van onze sociale welvaartsstaat ontwikkelde zich een sector, die wij misschien armoedig vinden maar waar hardwerkende Turken graag op afkomen. De sector stond onder zware concurrentiedruk, van buiten en van binnen. Alleen tegen lage prijzen kon de sector zijn spullen verkopen. Dus waren de lonen navenant laag: van 3,50 tot 5 gulden per uur voor de laagste functies, oplopend tot soms 25 gulden voor de chef van een atelier. Overuren werden niet uitbetaald, er werd permanente beschikbaarheid vereist en 85 tot meer dan 100 uur per week gewerkt.

Ondernemerschap en arbeid speelden zich af binnen de contouren van de eigen Turkse gemeenschap, waarin sociale controle en onderlinge solidariteit naadloos in elkaar overlopen. Koffiehuizen fungeerden als informatiecentra en als arbeidsbeurzen. Werknemers kregen geen arbeidscontract: lonen werden afgestemd op individuele productiviteit en verschilden dus binnen een atelier. Voor training was geen plaats, alleen in vrije uren konden werknemers elkaar hun stiel leren. Typische marktkrachten kregen de kans om zich te manifesteren: Lonen waren lager bij bedrijven die een grotere kans boden op werk gedurende het hele jaar, in plaats van alleen in het hoogseizoen.

Maar in 1993 kwam de klad erin. Het gedoogbeleid werd vervangen door straf toezicht aan de grens en in de werkplaatsen. In 1992 waren er duizend bedrijven actief, in 1996 waren er nog maar 50 over. Veel ateliers werden verplaatst naar Oost-Europa - ook goedkoop en sinds de val van de muur ook vlak bij de afzetmarkten. Sommige Turkse ateliers gingen legaal opereren, met bedrijfsregistratie, afdracht van premies et cetera. Maar vaak wel met behoud van een grijze staart: een deel van de activiteiten wordt verricht in het informele circuit. Een deel van het werk is verschoven naar de 'thuissector', een segment waar zelfs de Turkse onderzoeker geen toegang toe kreeg.

Het restant van de bedrijven is drastisch veranderd. Lonen zijn gedaald. Verdiende de beste illegale kleermaker een paar jaar geleden 15 gulden per uur, dat is nu gedaald tot een tientje. De meeste illegalen zijn terug naar Turkije. Er is alleen emplooi overgebleven voor de productiefste werknemers. Enkele bedrijven hebben de slag overleefd. Ze worden geleid door ondernemers die verstand hebben van onze wetten en gewoonten, en die Nederlands spreken.

De drastische uitdunning van de sector is af te lezen aan de prijs van de koffiehuizen. Het bekendste koffiehuis van de confectiesector werd indertijd overgenomen voor ruim twee ton. Inmiddels is het geruisloos ter ziele gegaan. Een ander koffiehuis 'deed' destijds 60 000 gulden, maar is nu voor 10 000 gulden nog niet te slijten.

Wat is de verlies- en winstrekening van het opruimen van de illegale confectie-industrie in Amsterdam? De grote verliezers zijn de Turken, dat is duidelijk. Nederlandse consumenten voelen er niks van, omdat de omgevallen muur (toevallig) voor vervanging zorgde.

Nederlandse ongeschoolden hebben er geen werk door gewonnen: want zodra de loonkosten boven de streep komen, is er geen markt meer. Ik denk ook niet dat de belastingbetaler gewonnen heeft: illegalen doen geen beroep op vrije overheidsvoorzieningen. Maar we hebben weer een schone stoep, en de 'uitbuiting van de sweat shop' gebeurt niet langer vlak onder onze ogen. Zelfs niet meer in het duister.

mailIcon print |