Aan het slot van zijn artikel over het proefschrift van Ruud Vlek 'Inactieven in actie: belangenstrijd en belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse politiek 1974-1994' in Trouw van 4 december citeert Wim Schoutendorp een uitspraak van prof. drs. Ed van Thijn. Dit citaat, dat overgenomen is van de achterflap van het proefschrift, luidt: '(. . .) Schokkend is te lezen hoe met name PvdA en FNV hun traditionele aanhang in de kou hebben laten staan en hoe daarvoor de PvdA dan ook structureel de electorale rekening gepresenteerd kreeg. Een spijkerhard, maar goed gedocumenteerd oordeel.'
Deze uitspraak doet niet alleen onvoldoende recht aan het werk van Vlek, maar is ook niet geheel in overeenstemming met de werkelijkheid. Overigens bleek Van Thijn als lid van de promotiecommissie behoorlijk kritischer over Vleks proefschrift dan als achterflapschrijver.
Talloze acties
De manier waarop Vlek de rol van de vakbeweging en de politiek beschrijft is niet altijd even genuanceerd, maar is bepaald niet zo zwart-wit als het bovenstaande citaat doet vermoeden. Met betrekking tot de vakbeweging constateert hij onder andere dat deze een dubbele en ambivalente rol speelt in de belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden. Dit zou het gevolg zijn van het feit dat de vakbeweging zowel premiebetalers als uitkeringsgerechtigden organiseert. Hieruit mag volgens mij echter niet de conclusie getrokken worden, dat de FNV haar uitkeringsgerechtigde leden in de kou heeft laten staan. Of dit ook voor de politiek en met name voor de PvdA geldt, laat ik voor Van Thijns rekening.
De werkelijkheid ligt voor de activiteiten van de FNV in ieder geval anders.
In talloze acties - bijvoorbeeld de massale WAO-demonstraties van 1991 - heeft de FNV zich verzet tegen de afbraak van de verzorgingsstaat. Juist in het poldermodel-overleg heeft de FNV hier altijd voor gewaarschuwd. Uit het feit dat de positie van uitkeringsgerechtigden de afgelopen jaren sterk achteruit is gegaan, moet dan ook niet geconcludeerd worden dat dit door toedoen van, maar ondanks de inspanningen van de vakbeweging gebeurd is.
Daarnaast heeft de FNV ook na 1994 - het jaar waar Vleks onderzoek eindigt - niet stilgezeten. Hieronder noem ik enkele zaken waar de FNV recent aandacht aan heeft besteed. Hierbij wijs ik er op dat de FNV niet alleen de belangen van werklozen en arbeidsongeschikten behartigt, zoals Vlek zegt, maar ook die van andere uitkeringsgerechtigden.
Zo pleit de FNV in haar armoedenota (oktober 1997) voor een hoger sociaal minimum. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen moeten structureel met 1,5 procent omhoog. En als aanvulling hierop wil de FNV voor ouderen, langdurig werklozen met een uitkering en minima met kinderen specifieke inkomensmaatregelen. Mijn collega Lodewijk de Waal heeft onlangs voorgerekend dat dit voor bepaalde groepen tot een inkomensstijging van 1400 gulden per jaar kan leiden.
Verder heeft de Vrouwenbond FNV dit jaar met enig succes actie gevoerd tegen 'fouten' in de Nabestaandenwet.
Maar ook spannen honderden FNV-kaderleden zich, met het oog op de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen, momenteel in voor een socialer gemeentelijk minimabeleid met de campagne 'Gemeente wees minimaal sociaal'.
Dit laatste sluit mooi aan bij het verwijt dat Van Thijn aan Vlek tijdens zijn promotie maakte over diens pleidooi tegen decentralisatie van het minimabeleid naar de gemeenten. Van Thijn vindt dit een goede zaak. Met Vlek heeft de FNV daar echter zo haar twijfels over. De verschillen tussen gemeenten worden namelijk steeds groter, zo blijkt uit jaarlijks FNV-onderzoek.
Maar behalve onderzoeken zet de FNV zich ook in voor uitbreiding van de werkgelegenheid en een fatsoenlijk inkomensbeleid. Fatsoenlijk ook voor uitkeringsgerechtigden. Een steuntje in de rug van de politiek, ook van Ed van Thijn, kunnen we daarbij best gebruiken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.