DEN HAAG - “De revolutie die wij brengen, is dat twintig ambtenaren tweehonderd meter verderop gaan werken.” De nota herijking buitenlands beleid had vóór het verschijnen al voor de nodige onrust gezorgd onder de ambtenaren. Maar minister Wijers (D66) van economische zaken relativeerde gisteren bij de presentatie van het werkstuk de praktische gevolgen ervan voor het ambtenarenkorps: een handjevol medewerkers van Wijers' ministerie aan de Haagse Bezuidenhoutseweg trekt bij Buitenlandse Zaken in, schuin aan de overkant.
Zij komen daar, mèt hun nieuwe collega's, te werken op één van de nieuw te vormen regionale directies. Op deze regionale directies wordt het Nederlandse buitenlands beleid voorbereid voor de verschillende delen van de wereld. Globaal is de wereldkaart in negen stukken geknipt: West-Europa, Midden- en Oost-Europa, Centraal- en Zuid-Azië, Oost-Azië, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, Midden- en Zuidelijk Afrika, Noord-Amerika, en Zuid- en Midden-Amerika.
De bedoeling is dat zij bij de voorbereiding van het buitenlands beleid rekening houden met alle aspecten van dat beleid die belangrijk zijn voor het land of werelddeel dat ze onder hun hoede hebben. Per regio kan dan een compleet 'pakket' buitenlands beleid worden samengesteld, toegesneden op de belangen van de betrokken regio en op de belangen van Nederland. Daarbij wordt bekeken welke mix er nodig is van zaken als bijvoorbeeld handelsbevordering, ontwikkelingssamenwerking, culturele en wetenschappelijke samenwerking.
Uitserveren
Of, zoals minister Van Mierlo (D66) van buitenlandse zaken het gisteren omschreef: “Eerst bundel je alles wat je aan buitenlands beleid kunt inzetten en dan serveer je het uit naar de regio's, al naar gelang de behoefte van die regio's.” Het kabinet wil daarbij de posten in het buitenland - ambassades, handelsmissies - meer vrijheid geven om dat buitenlandse beleid nieuwe stijl in praktijk te brengen.
De nota geeft aan dat er een nauwere samenwerking moet komen tussen Buitenlandse Zaken en ambtelijke afdelingen die zich op andere ministeries met internationaal werk bezig houden. Het kabinet wil dat de betrokken ambtenaren meer tussen de departementen gaan rouleren. Uiteindelijk moet dat leiden tot de vorming van een pool van internationale beleidsambtenaren, die zich een aantal jaren met het ene, en dan weer eens met het andere onderdeel van buitenlands beleid bezig houden.
De begrotingen voor defensie en ontwikkelingssamenwerking zijn door de jaren heen voorwerp geweest van partijpolitieke twisten. Partijen namen elkaar daarbij de maat op het punt van een procentje meer voor ontwikkelingssamenwerking, of juist wat meer voor defensie. Van Mierlo herinnerde eraan hoe ook in de laatste kabinetsformatie deze al jaren vastgeroeste standpunten zorgden voor een 'onmachtsmoment'. Niet zonder trots meldde hij dat de opstellers van de herijkingsnota (naast Van Mierlo en Wijers de ministers Zalm (VVD) van financiën, Voorhoeve (VVD) van defensie en Pronk (PvdA) van ontwikkelingssamenwerking) daar door heen hebben weten te breken. “Wij zijn er in geslaagd alle winst- en verliesrekeningen zoek te maken”, aldus de minister van buitenlandse zaken.
Vluchtelingen
Het kabinet heeft nu gekozen voor de instelling van één budget voor internationale samenwerking. Hierin zitten allereerst de traditionele uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, als ook de kosten van opvang in Nederland van toegelaten vluchtelingen, en de uitgaven voor voorlichting over ontwikkelingssamenwerking. Maar daarnaast vallen er posten onder als bijvoorbeeld vredesoperaties, contributies aan internationale organisaties als VN en Navo, internationaal milieubeleid, exportbevordering en samenwerkingsprogramma's met Midden- en Oost-Europa.
“Als je je zelf wilt dwingen alle instrumenten van buitenlandse beleid te zien als één pool, dan moet je het ook onder één noemer brengen”, aldus Van Mierlo. Zijn collega Zalm (VVD) van financiën omschreef het nieuwe budget als één pot met geld, met 'trekkingsrechten' voor de verschillende ministeries. Hoe dat geld wordt verdeeld over de verschillende departementen, zal jaarlijks worden besloten bij het opstellen van de begroting.
Defensie houdt, afgezien van de kosten van vredesoperaties, een eigen budget. Die wordt met ingang van 1997 blijvend met 200 miljoen gulden verhoogd. Dat geld is afkomstig van het budget voor internationale samenwerking. De uitgaven voor internationale samenwerking worden gekoppeld aan het Bruto nationaal produkt. Met ingang van de begroting voor 1997 zullen ze 1,1 procent van dat BNP bedragen. In bedragen gaat het om 7,5 miljard in 1997, oplopend naar 8,1 miljard gulden in 1999. Voor 'echte' ontwikkelingssamenwerking gaat het kabinet uit van gemiddeld 0,8 procent (een kleine zes miljard in 1997).
Vredesoperaties
Maar van jaar op jaar kan worden besloten om wat van dat percentage af te wijken. De ministers kunnen ervoor kiezen om in een bepaald jaar wat meer geld uit te trekken voor vredesoperaties of exportbevordering en wat minder voor ontwikkelingssamenwerking. Het omgekeerde kan echter ook. Afgesproken is dat het budget voor pure ontwikkelingssamenwerking nooit lager zal uitkomen dan 0,75 procent van het BNP en niet hoger zal zijn dan 0,85 procent.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.