God mag weer. Dat blijkt uit het boekenweekmagazine dat de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek deze week in een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren in de boekwinkels en de bibliotheken legt. Wie dit magazine inkijkt, komt eerst terecht in een stortbui van reclame: diverse uitgevers prijzen niet minder dan tweehonderdvijftig nieuwe boeken over 'zin en betekenis' aan. Met 'zin en betekenis' ben je natuurlijk nog niet bij God, maar je komt wel bij hem via de cartoons en de soms heel ontroerende gedichtjes waarmee het magazine doorspekt is.
De ruggengraat van het magazine wordt echter gevormd door goed en vlot geschreven artikelen, die overigens meer over godsdienst dan over God gaan. Naima El Bezaz, dochter van een Marokkaanse gastarbeider en nu student in de rechten in Leiden, legt uit dat we niet bang hoeven te zijn van de islam.
Fundamentalisten heb je overal, ook bij de joden en de christenen, en het fundamentalisme is niet karakteristiek voor de islam. Jodendom, christendom en islam berusten volgens haar op dezelfde principes en ze verschillen alleen in details. Verder: als je nu ziet hoe vrouwen in de rechterflank van de gereformeerde gezindte 's zondags met de meest wonderlijke hoeden ter kerke gaan - omdat het moet, niet omdat die hoedjes leuk staan! - waarom maken de mensen in Nederland zich dan druk over de hoofddoekjes van de moslim-vrouwen?
Ilse-Marie Dorff leidt de lezers in in de godsdienstige beleving van de Surinamers in Nederland. Ze vinden de diensten in de hervormde en gereformeerde kerken in ons land maar koud en onpersoonlijk: ze willen warm worden in de kerk en ze vinden het heerlijk elkaar weer te ontmoeten; een dienst van de Broedergemeente heeft ook iets van een familie-reünie.
Maar naast de Broedergemeente is er ook de Pinkstergemeente en daar beleef je nog meer: daar worden demonen uitgedreven en zieken door handoplegging genezen.
Dan is er nog de Winti-godsdienst, waarin geesten en vaak nog elementen uit Afrika een grote rol spelen. Daar moet je niet mee te koop lopen, want de dominee en de pastoor, en de kerkenraad van de Broedergemeente, vinden dat 'afkodree' (afgoderij), maar het helpt wel, bijvoorbeeld als je ziek bent.
Van een heel ander gehalte is het gesprek van de remonstrantse predikant Johan Goud met de dichter Rutger Kopland. Kopland heeft afscheid genomen van God, dat wil zeggen: van de geloofsbeleving van zijn jeugd.
Die beleving heeft voor hem als kind veel betekend en daarom heeft zijn afscheid van God ook iets weemoedigs. Maar nu geeft dat afscheid hem toch een groot gevoel van bevrijding, al blijft het moeilijk om het allemaal te vergeten. De toon van Koplands gedichten, waarvan er enkele in het magazine zijn afgedrukt, is helemaal zuiver, en ze worden door predikanten dan ook wel eens in de preek gebruikt.
Daar heeft Kopland bezwaar tegen: hij heeft afscheid genomen van God en wil niet door christenen geannexeerd worden.
Doeschka Meijsing schrijft over God in de Nederlandse literatuur van onze eeuw. Als je afziet van schrijvers die uitdrukkelijk kwijt willen dat ze niet meer gereformeerd zijn, blijkt God in onze letteren maar een kleine rol te spelen.
In 1918 is God bij Nescio een eerbiedwaardige burgerman, die over het Damrak wandelt, leiding geeft aan instellingen die het goede met de mensheid voor hebben, en verder kijkt of iedereen zich wel behoorlijk gedraagt.
In 1966 is God bij Van het Reve ver weg, in het donker, en de dichter springt in zijn wanhoop naar God toe om warmte en geborgenheid te vinden. In 1992 is God voor Mulisch de chef, die alleen via zijn engelen met de mensen communiceert. Hij is almachtig en autoritair en troost heeft hij niet te bieden bij de tragedie die de wereld is.
Van den Beukel is present met een artikel over de verwondering. Is het heelal bij toeval ontstaan en is alles dus volstrekt zinloos? Van den Beukel meent dat het er maar van af hangt hoe je waarneemt en vooral wie er waarneemt. De Amerikaanse biochemicus Behe komt in een pas verschenen boek tot de conclusie dat biologische systemen ontworpen moeten zijn en dus niet bij toeval ontstaan kunnen zijn. Daarmee wil Behe geen Godsbewijs produceren, maar Van den Beukel meent dat zijn werk toch bevorderlijk is voor verwondering.
Om die verwondering is het Van den Beukel begonnen, een verwondering niet alleen over 'de hemel, het werk van uw handen', maar ook over de liefde van Hem die 'omziet naar het mensenkind'. Zo komt bij Van den Beukel de boodschap van de bijbel door.
Het magazine opent met een artikel van Kuitert. Hij geeft eerst enkele tikken op de hoofden van Frits Bolkestein, Paul Cliteur en Rudy Kousbroek en vertelt dan dat hij zelf gebruik maakt van de christelijke traditie om een 'zoekontwerp' van God te maken. Op die manier hoopt hij wat hij 'van horen zeggen' heeft, zelf tegen te komen en te ervaren, maar zekerheid kan hij niet bieden. Toch ontkom je ook in dit artikel niet aan de indruk dat hij meer over God gevonden heeft dan hij toegeeft. Aan het eind wordt zijn toon namelijk zeer beslist, wanneer hij het heeft over wat de kerk nog te bieden heeft, als ze er niet op uit is haar bestaan nog wat te rekken en met de schatten van haar traditie voor den dag komt.
Vrij naar Pascal kun je zeggen: Kuitert zou helemaal geen zoekontwerp hebben als hij God al niet gevonden had. Waarom spreekt hij dat dan niet openlijk uit?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.