*

 
dossier

Archief

Het povere Engeland blijkt geen al te lastig obstakel voor Nederlands hockeyteam

JOHAN WOLDENDORP − 26/08/95, 00:00

DUBLIN - Op het haast spreekwoordelijke ene been heeft het Nederlands hockeyelftal de EK-finale gehaald. Net als in de meeste poulewedstrijden volstond één enkele speelhelft om het begeerde doel te bereiken. Morgen staat Oranje, gelijk vier jaar geleden in Parijs, in de eindstrijd tegenover Duitsland, dat gisteren geen kind had aan België: 4-0.

De uitslag (2-1) doet anders vermoeden, maar ook Engeland was op de weg naar de toernooi-apotheose geen hinderlijk obstakel voor de ploeg van Roelant Oltmans. Na een briljante eerste helft maakte de nationale hockeytrots het zich in de tweede periode echter weer onnodig moeilijk. Voor rust kwamen de Britten er zelfs letterlijk geen seconde aan te pas tegen het Nederlands elftal, dat uiterst gedisciplineerd, zeer gestructureerd en taktisch volmaakt hockey speelde. In de statistieken stond geen enkele doelpoging van de tegenstander opgesomd. Delissen (strafbal) en Drenth (fraaie variant uit de tweede strafcorner) bezorgden hun team een 2-0-voorsprong, die in de praktijk alleen door het Engelse strafcornerkanon Calum Giles teniet kon worden gedaan.

De Britse bondscoach David Whitaker heeft het spel van zijn elftal volledig op de pinchhitter vanaf de cirkelrand afgestemd. Wie de 22-jarige Giles ziet hockeyen, dicht hem niet meer kwaliteiten toe dan van een middelmatige overgangsklasser, maar een corner inslaan kan hij als geen ander. De speler van Havant komt ook alleen voor dat doel het veld opgesneld. Tegen Nederland droop hij tweemaal teleurgesteld weer af, maar bij de derde poging was het raak. Met acht doelpunten staat hij hoog op de topscorerslijst. Het is dan ook uitsluitend aan Giles te danken dat het povere Engeland op het EK nog de laatste vier haalde. Met zijn specialisme is het kanon druk doende zijn eigen graf - de afschaffing van de interchange-regel in zijn huidige vorm - te graven. Iedereen gruwt van de maas in de wet die in theorie ook krachtpatsers met een verwoestende uithaal en op leeftijd geraakte specialisten van vroeger in staat stellen onschatbare diensten aan een moeilijk scorend elftal te verlenen. Bij gemis aan Bovelander en Van den Honert (afwezig wegens studieredenen) had Oltmans bij wijze van spreken de veertiger Paul Litjens een geheel nieuwe, eigentijdse interlandcarrière kunnen laten opbouwen.

Zoals het spel van Engeland ook gisteren op het versieren van korte hoekslagen was gericht, zo hadden Jazet en de zijnen van de bondscoach de opdracht gekregen de spaarzame Britse aanvalspogingen al in een zo vroeg mogelijk stadium te elimineren. Dat dat in de tweede helft een paar keer moeizaam lukte, hadden ze volledig aan zichzelf te wijten. Het is het probleem van dit kwalitatief zwak bezette titeltoernooi: het is voor de paar continentale toppers moeilijk de concentratie een hele wedstrijd lang vast te houden. Buiten het feit dat het middenveld er na rust niet in slaagde de bal vast te houden, de verdediging zich een paar forse missers veroorloofde, Van Wijk of ongelukkig was in zijn akties of te zelfzuchtig opereerde en de regelmatig naar de vleugel of het middenveld uitwijkende De Nooijer ook op die vertrouwde stek niet in vorm geraakte, was de corner andermaal geen onverdeeld succes. Alle varianten werden uit de toverdoos gehaald, zodat Duitsland morgen op dat vlak geen verrassingen heeft te duchten. In twee van de vijf gevallen was Delissen onmachtig de door Brinkman aangegeven bal te stoppen, de andere drie keer schoot de uitvoering net te kort. Een totaal van 37 corners in zes wedstrijden leverde welgeteld vijf treffers op.

Vanzelfsprekend kent de titelpretendent ook zijn sterke kanten: Delissen, Brinkman, Veen en Klein Gebbink (één van de snelste spelers van het EK) zijn vrijwel dagelijks uitblinkers. De eerste drie zorgen op rechts voor vaak flitsende en ingenieuze aanvalscombinaties, de van Tilburg naar Kampong verhuizende linksmidden Klein Gebbink is op zijn gevaarlijkst wanneer hij met de bal tot de achterlijn oprukt. In die zin onderscheidden ze zich ook tegen Engeland. Delissen, die na vijf groene en twee gele kaarten tegen een schorsing aanhikte, torende als midden-midden boven iedereen uit. Geen kwaad woord richting umpire rolde ditmaal over zijn lippen. “Ik zou tegen Engeland geen gele kaart wegens praten oplopen, had ik iedereen beloofd. En ik geloof dat de scheidsrechters mij vandaag wel aardig vonden.”

Stephan Veen heeft een vrij lange aanloop nodig gehad om in zijn huidige rol te groeien. Na zijn debuut op 14 januari 1989 - als 19-jarig jochie speelde hij in de Intercontinental Cup zijn eerste interland tegen Maleisië - duurde het tot na de Olympische Spelen van Barcelona dat hij de indruk had er echt bij te horen. De HGC'er heeft inmiddels 141 caps verzameld, waarvan een aanzienlijk deel als vaste invaller voor Maarten van Grimbergen. De enige smet op zijn spel is het geringe aantal doelpunten dat hij fabriceert. Sinds zijn twee veldtreffers in de openingswedstijd tegen Schotland, staat Veen droog. Gisteren kreeg hij in de achtste minuut een fraaie kans en vormde na ruim een kwartier de aanleiding tot de strafbal van Delissen. McGuire sloeg hem op de stick, nadat Delissen zijn clubgenoot bij HGC met een juweel van een dieptepass in scoringspositie had gebracht. Bij de wonderschone variant van de zevende strafcorner kwam Veen net een tafje te kort.

Het driehoekje met Delissen en Brinkman is tot een automatisme uitgegroeid. Veen: “De bal van Delissen binnendoor is het resultaat van jarenlang trainen. Het heeft op het EK al dan niet direct tot een paar doelpunten geleid. Ook Brinkman en ik voelen elkaar blind aan. Ik weet exact hoe Jacques een bal aanneemt en dan binnendoor loodrecht op mij passt.” De sterke rechterkant is tevens de achilleshiel van het Nederlands elftal. De combinaties met De Nooijer en Van Wijk lopen stroever, omdat onder normale omstandigheden Taco van den Honert het scorende verlengstuk van de creatieve troika is. Een ander wezenlijk probleem van het Nederlands elftal is dat het moeilijk in staat blijkt om te schakelen naar een sober, effectief speltype wanneer de tegenstander de macht naar zich toe trekt.

'Bloody good team'

“Tegen Duitsland kunnen we ons maar heel weinig fouten veroorloven,” weet Stephan Veen. “Die jongens spelen ongelooflijk clean hockey.” Gelet op het surplus aan kwaliteit en talent moet Oranje de zevende wedstrijd van het EK winnend kunnen afsluiten. Bewonderend omschreef Whitaker Nederland als een “bloody good team”. Marc Delissen spreekt hem niet tegen. “Met zoveel potentieel en kader is Nederland verplicht meer finaleplaatsen te halen dan de laatste jaren het geval was. Op den duur komen daar prijzen uit voort. Met Van den Honert en Bovelander moeten we volgend jaar ook Olympisch kampioen kunnen worden.” Veen hoopt niet dat hij en zijn ploeggenoten morgen op het universiteitscomplex in Dublin ten prooi vallen aan het WK-syndroom. “In de halve finale van dat toernooi speelden we tegen Australië twee keer zo'n helft als nu tegen Engeland. We realiseerden ons onvoldoende dat er nog een finale achteraan kwam. We dachten dat het nooit stuk kon. Die fout mogen we nu niet maken.” Het strompelende been moet als beste voor worden gezet.

mailIcon print |