*

 
dossier

Archief

Rie Lips-Odinot (1908-1998)

JOLANDE WITHUIS − 31/01/98, 00:00

Het overlijden, maandag, van oud-CPN-Kamerlid Rie Lips-Odinot herinnert aan een in het 'Bolkestein-debat' onderbelicht gebleven kant van het communisme: namelijk wat dat aanricht in menselijke verhoudingen.

Toch zou dát hoofdzaak moeten zijn van een historische verwerking, want juist die inter- en intrapersoonlijke omgangsvormen tonen ons tot welke onmenselijkheid de communistische levensbeschouwing en cultuur mensen hebben geïnspireerd die ervan overtuigd waren dat zij het beste met de wereld voor hadden.

Rie Lips behoort tot de generatie der 'zwijgers' en die heeft, anders dan de generatie van de jaren '70, nog geen neiging vertoond tot het afleggen van historische verantwoording. Voor Lips zelf, die in 1958 uit de CPN werd geroyeerd, ligt dat anders. Zij heeft én in de film Kameraden (Senn & Van Ommeren, 1993), én in mijn proefschrift Opoffering en heroiek (1990) erkend, dat zij en haar partij, in de blinde overtuiging dat in Stalins Sovjet-Unie de heilstaat was verwezenlijkt, andersdenkenden slecht hebben behandeld. Het was ook Lips die mij in 1988 het Russische wangedrag jegens oud-gevangenen van het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück onthulde.

Voor die generatie communisten, die een volstrekt andere affectieve binding had tot 'de partij' dan de latere 'student-leden', was Lips' levensloop tamelijk exemplarisch. Politiek actief geworden in de SDAP van de crisisjaren, betrokken bij de hulp aan Spanje, de hulpverlening aan door Nederland geweerde Duits-Joodse vluchtelingen en het communistisch getinte Wereld Vrouwen Comite tegen Oorlog en Fascisme, werd ze al vroeg in de oorlog opgepakt. Met haar eerste man, zonder dat ze afscheid had kunnen nemen van hun twee slapende kinderen, kwam ze zomer 1941 in kamp Schoorl, om via een reeks gevangenissen naar Ravensbrück te worden getransporteerd. Daar zat ze meer dan drie jaar, langer dan bijna iedereen. Haar man zag ze nooit terug. Hij kwam om in een Duits kamp; welk is nooit vastgesteld.

Na de bevrijding werd Lips voorzitter van de in 1946 vooral vanuit linkse Ravensbrück-kringen opgerichte Nederlandse Vrouwenbeweging (NVB), een organisatie die met de koude oorlog veranderde in een CPN-club. Ze zat in het partijbestuur van de CPN en voor die partij van 1951 tot 1958 in de Tweede Kamer.

Als Kamerlid kwam Lips op voor de handelingsbekwaamheid van vrouwen en subsidiëring van de Sovjet-methode voor 'pijnloos bevallen' - een toen in de CPN opgang makende communistische (op Pavlov gebaseerde) wonderdoenerij. De methode gaf speciaal roomse medici aanstoot: zij stonden er op even ideologische gronden op dat vrouwen in smarten hun kinderen zouden baren. In de Kamer gaf Lips de minister die de subsidie weigerde omdat pijnloos bevallen nu eenmaal niet kón, te verstaan dat maar één ding vast stond dat niet kon en dat was dat híí kinderen zou baren.

Het verhaal verheldert iets van de aantrekkingskracht van het 'wetenschappelijk socialisme' op arbeidersvrouwen als Lips, die alleen lagere school had. In de CPN-baarcursussen lag de nadruk op het bestrijden van angst (en 'dus' pijn) door anatomische en 'psychologische' voorlichting. Kennis moest helpen, net zoals de maatschappelijke inzichten van het marxisme pijn verlichtten en een machtsgevoel boden. Toen Lips haar eerste kind kreeg, begin jaren '30, had ze pas bij de bevalling gesnapt waar de baby eruit moest.

Destalinisatie

De politieke loopbaan van Rie Lips kwam in 1958 ten einde, toen zij in het conflict rond de Bruggroep, dat onder meer de destalinisatie betrof, buiten de partij kwam. Dat haar naam minder bekend is dan die van haar medestanders Brandsen, Gortzak en Wagenaar (net als zij Kamerleden), ligt aan de masculiene bril waardoor de geschiedenis van de arbeidersbeweging is bekeken. Want Lips' conflict met de partij had grote gevolgen, vooral binnen de 'vrouwenbeweging.' Daar werd deze geliefde voorzitster afgezet door haar vriendin Annie Averink, ook Kamerlid en een trouw volgelinge van Paul de Groot. Het gebeuren schokte de NVB-gelederen en hele afdelingen traden uit omwille van 'onze Rie' en de autonomie van hun vereniging.

Het is bekend hoezeer hun ex-kameraden (zoals de wat jongere Bakker, Verheij en Wolff) hebben gepoogd de Brug-dissidenten kapot te maken. Ook Lips werd gemangeld. In CPN én NVB. We kunnen het als symptoom van communistisch zelfbedrog beschouwen, dat ook haar die proliferatie van het conflict verbijsterde; de NVB was immers onder haar een mantelorganisatie geworden. Maar hoe dan ook: Lips stortte in 'het ravijn', zoals ze het uitdrukte. Ze was haar leefwereld kwijt, haar werk, haar vrienden. Zelfs vrouwen met wie ze het kamp had overleefd, groetten haar niet meer.

Hoe zijn zulke harde omgangsvormen verklaarbaar?

Allereerst uit de opvatting dat 'de partij' het Goede belichaamt en een wetenschappelijke theorie heeft van het goede leven - een opvatting waarin de communisten zich door de periode 40-45 gesterkt voelden. Trouw aan de partij ging derhalve boven alles: Die Partei hat immer Recht. Voor zij werd geroyeerd was dat voor Lips niet anders. Dertig jaar later nog noemde ze het 'wel een beetje verraad' dat ze haar kritiek op het communisme tegenover mij uitsprak.

Verder - daarop duidt ook die term 'verraad' - beschouwde men zich in de jaren '50 en '60 als in oorlog met Nederland. Dat vijanddenken versterkte het beginsel dat politieke loyaliteit prevaleert boven persoonlijke. De ware test van een revolutionair (M/V) is of hij bereid is zijn allerliefsten te offeren. CPN-vrouwen die ik vroeg wat 'vriendschap' in hun leven had betekend, legden trots uit dat vriendschap niet mocht: 'Wij hadden kameraadschap, want een persoonlijke band zou kunnen botsen met je loyaliteit aan de partij.'

De angst om buiten de besloten, collectivistische, zingevende partijcultuur te raken, maakte de leden emotioneel afhankelijk en monddood. Morele chantage werd een gangbare vorm van kameraadschappelijke communicatie. Men was omwille van de goede zaak medeplichtig geworden aan veel kwaad. Leden die na elke pijnlijke kwestie weer zwegen en bleven, moesten de ideologie waarvoor ze deze schuld op zich laadden, des te steviger omarmen. Twijfel past niet in een strijdcultuur.

Daar kwam bij dat hun overtuiging communisten heeft geholpen door te leven met hun vaak gruwelijke oorlogservaringen. Het feit dat zij een interpretatie hadden van wat hun was overkomen, verzachtte de gevolgen. Dat viel weg zodra hun overtuiging wankelde. Dat maakt(e) voor de oorlogsgeneratie hun geloof tot mentale noodzaak. Lips, die na vier kampjaren en het verlies van een echtgenoot aan een nieuw leven was begonnen, werd, toen ze uit de partij was verwijderd ziek: 'het kamp kwam terug.'

Dit doet ons een blik werpen in de psychodynamika van het communisme. Zelfcensuur hoort daarbij. Lips had in gevangenschap bij toeval eens alleen door een bos kunnen lopen. Het licht had er prachtig over een meertje geschenen. Maar die 'gelukservaring' had ze haar partijgenoten later niet durven vertellen. Dat zou haar kwalijk zijn genomen. Dat ze het daar mooi had kunnen vinden, dat deugde eigenlijk niet. Toch was ze er zeker van dat ook zulke ervaringen haar hadden geholpen te overleven.

mailIcon print |