*

 
dossier

Archief

Mag de Bijbel niet duidelijk zijn?

H.J. de Jonge − 28/12/99, 00:00

Sommigen vinden dat er niets boven de Statenvertaling gaat, anderen zweren bij een recentere versie van de Bijbel. Ook de nieuwste vertaling, nog lang niet voltooid, stuit op kritiek. De Leidse Nieuw-Testamenticus H.J. de Jonge weegt die kritiek en is niet onder de indruk.

In oktober 1998 verschenen de eerste proeven van de nieuwe Nederlandse bijbelvertaling. De belangstelling was groot. Naast waardering klonken er bezwaren. Maar niet alle kritiek blijkt terzake.

Allereerst zijn er de verklaarde afvalligen, die helemaal geen nieuwe vertaling willen. De heer M. 't Hart verklaarde voor de televisie, dat de Bijbel een oud boek is: dat moet je zo laten, er moet helemaal geen nieuwe vertaling van komen. O nee? Is Homerus niet ook een oud boek en moet daar niet geregeld een nieuwe vertaling in begrijpelijk Nederlands van gemaakt worden? Ja, zegt B. Barnard in NRC Handelsblad (kerst 1998), maar van de Bijbel hebben we de Statenvertaling en die voldoet. Inderdaad, die voldoet voor diegenen die graag zien dat kerk en christendom, met al wat daartoe behoort, stollen en verstenen op het moment dat zij eruit stappen.

Atheïsten en agnostici hopen dat toen zij de religie achter zich lieten, zij daar goede reden voor hadden, maar dan mag er achter hun rug vooral niets meer veranderen. Want ten eerste kunnen ze er dan niet meer zeker van zijn dat de gronden die zij voor hun bekering meenden te hebben nog geldig zijn. Veranderingen in theologie en bijbelvertaling tasten de zekerheid aan van de agnosticus en dat vindt hij onaangenaam. Ten tweede, wanneer de Bijbel in goed modern Nederlands wordt vertaald, gaat hij opeens duidelijker spreken. Je kunt opeens aangesproken worden door wat die oude teksten te zeggen hebben. Maar dat is nu precies was agnosten niet willen. Daar zijn ze boven verheven. Ze willen zich knus voelen bij vertrouwde, steeds herhaalde klanken die hun zinnen strelen en hen zo geruststellen. De Statenbijbel is de Anton Pieck van de agnosten. Ze hebben wel geen geloof, maar des te meer nostalgie. De Bijbel moet vooral ouderwets en abnormaal klinken, dan houd je hem op een afstand en kun je er beurtelings mee dwepen en hem bespottelijk maken (waar 't Hart en NRC Handelsblad al enige jaren een onbedaarlijk plezier in hebben). Maar dan ben je tenminste af van wat hij werkelijk zegt.

Even weinig terzake is de kritiek die de predikanten Ter Linden en Monshouwer uitten in Trouw (onder andere op 13 september en 18 november). Ter Linden negeert superieur het principe dat aan de nieuwe vertaling ten grondslag ligt, namelijk dat gewoon idioom van de grondtaal in gewoon Nederlands idioom wordt omgezet, en alleen ongewone uitdrukkingen binnen de bron in ongewoon Nederlands.

Met kritiek die aan deze stelregel voorbijgaat is echt niets te beginnen. Wie zegt er nu: hij 'daalde af' van Zeist naar Leiden, in plaats van 'ging' of 'reisde'? Maar Ter Linden wil afdalen. Monshouwer zégt wel dat hij het genoemde principe wil honoreren, maar zijn voorbeelden tonen stuk voor stuk dat hij dat niet doet. Men kan in Handelingen 1 vers 2, vlak aan het begin van het boek, inderdaad beter met de nieuwe vertaling zeggen dat Jezus 'in de hemel werd opgenomen' dan kortweg dat hij 'werd opgenomen', want dat laatste betekent vandaag de dag heel iets anders dan Handelingen bedoelt. Bij Ter Linden vind ik geen enkele, bij Monshouwer nauwelijks een nuttige suggestie. Zij moeten eens leren dat het Franse 'en quinze jours' niet moet worden vertaald met 'in vijftien dagen' maar met 'over twee weken'.

Veel zinniger is de discussie over de vertaling van de Godsnaam, maar er blijven vreemde momenten in. Het probleem is bekend. In het Hebreeuwse deel van de Bijbel wordt God dikwijls aangeduid met een eigennaam van vier medeklinkers (JHWH), waarvan de betekenis en oorspronkelijke uitspraak onbekend zijn. Volgens een deel van de Joden mag de naam niet worden uitgesproken. Uit respect voor die opinie en om te voorkomen dat hij toch wordt uitgesproken, vervangen de meeste vertalingen de naam door een eretitel of soortnaam, meestal 'Heer' of een variant daarvan (Heere, Here).

Deze keuze rust op diverse redelijke, maar niet helemaal dwingende gronden. Twee van die gronden zijn de volgende. Ten eerste, al sinds uiterlijk de derde eeuw voor Christus zeggen Hebreeuws lezende Joden waar de Godsnaam staat in plaats daarvan 'Adonai', wat 'Heer' of 'mijn Heer' betekent. Ten tweede, Griekstalige Joden die vanaf de derde eeuw voor Christus de Hebreeuwse Schrift in het Grieks vertaalden, zetten voor de Godsnaam het woord Kurios, dat eveneens Heer betekent.

Verscheidene vrouwelijke theologen dringen er nu op aan, van de vervanging 'Heer' voor de Godsnaam af te stappen en een ander substituut te kiezen. Volgens hen maakt het woord 'Heer' God onnodig mannelijker dan in de grondtekst. Ook schept de vertaling Heer een hiërarchische verhouding tussen God en mens die met de Hebreeuwse Godsnaam niet uitgedrukt is.

Ik vind deze argumenten zwak of zelfs ongeldig. De Godsnaam komt in de Hebreeuwse boeken van de Bijbel zoveel voor, dat het karakter van de drager van die naam geheel bepaald wordt door de tekening die die boeken van zijn handelen en spreken geven. Het is de literaire context die de betekenis van zowel JHWH als de vertaling daarvan bepaalt. Hoe mannelijk en hoe autoritair God is, bepaalt de voorstelling die de boeken van hem geven. Daaraan doet de woordkeus bij de vertaling van zijn naam niets toe of af. Zij die van 'Heer' af willen, overschatten schromelijk wat het woord Heer aan connotaties meebrengt van buiten de Bijbel. De Bijbel zelf vult de betekenis van dit woord in.

Bovendien is er geen bruikbaar alternatief. Er zijn intussen wel meer dan honderd alternatieven voor de vertaling 'Heer' bij de leiding van het vertaalproject ingestuurd. Vijfentwintig ervan zijn deze maand gepubliceerd in een brochure van het Bijbelgenootschap. Daaronder zulke voorstellen als de Eeuwige, de Aanwezige en de Levende. Het probleem is echter, dat deze voorstellen pretenderen de betekenis van de Hebreeuwse naam weer te geven. Maar die betekenis is onbekend. Taalkundig zijn deze voorstellen dus slagen in de lucht. Andere voorstellen zijn typisch de wensdromen van de voorstellers, zoals de Nabije, de Betrokkene, de Barmhartige.

Eén ding moet de vrouwelijke actievoerders toegegeven worden. De vertaling met Heer is taalkundig en vertaalkundig net zo'n slag in de lucht als de bovengenoemde alternatieven. Het is een oudere slag in de lucht, maar strikt taalkundig heeft 'Heer' niets voor op de Eeuwige, de Levende, enzovoorts. Als vrouwen aandringen en zeggen: Heer is net zo ongefundeerd als Eeuwige, dus kan dat Heer best vervangen worden, en doe dat dan nú, nu de kans zich voordoet, dan hebben ze, theoretisch, wel enigszins gelijk.

Toch zal het mijns inziens niet kunnen. De nieuwe vertaling zal door brede groepen van christenen, Joden en anderen aanvaard moeten worden. Die brede acceptatie is alleen mogelijk als er een brede overeenstemming bestaat over de vertaling van de Godsnaam. Die overeenstemming is weer alleen te bereiken indien bij de weergave van de Godsnaam gekozen wordt voor aansluiting bij de in grote groepen gangbare traditie. Die traditie is, ook bij de meeste Joden: Heer. Let wel, wat hiertoe dwingt is niet conservatisme, maar het Joodse taboe op het uitspreken van de Hebreeuwse naam en de eisen die een brede acceptatie aan de bijbelvertaling stelt.

mailIcon print |