SISAVA (Midden-Bosnië) - “Voor de laatste keer: blijf op het pad. Elke stap die je in de berm zet kàn een mijn tot ontploffing brengen. Het is geen grap.”
Na wat een ontspannen wandelingetje door een sneeuwbos leek, zijn we terug bij de realiteit: patrouille lopen met het derde peloton van het Charlieteam van het 42ste pantserinfanteriebataljon in de 'Zone of Separation', de vier kilometer brede strook niemandsland die als gevolg van het akkoord van Dayton de partijen in Bosnië uit elkaar houdt. Het landschap doet denken aan de Oostenrijkse Alpen, maar elke boerderij is herinnert aan de burgeroorlog in Bosnië: leeggeroofd, kapotgeschoten, uitgebrand. En nergens is een mens te zien.
Dagelijks patrouilleren de militairen door de bufferzone tussen Serviërs en de federatie van moslims en Kroaten in Midden-Bosnië: nu eens te voet, dan per pantservoertuig, waarbij de boordschutter het 22-millimeterboordkanon bemand.
Sommige patrouilles gaan per jeep, waarbij een soldaat staand achter de mitrailleur het landschap afzoekt. Helm op, scherfvest aan, een zwart neopreen gezichtsmasker voor tegen de striemende rijwind. Dat masker verleent de schutter een dreigend uiterlijk: dit is menens, het is Ifor (de door de Navo aangevoerde internationale vredesmacht in Bosnië waar Nederland ruim 2000 militairen aan bijdraagt) ernst.
Totnogtoe hoefden de Nederlanders het vuur niet te openen. In het bos komen we niemand tegen. Het enige geluid is het geknerp van de sneeuw onder onze schoenen. De wandeling verloopt ongestoord: we lopen alleen het risico dat we op de helling uitglijden op het keiharde, door een dun laagje sneeuw bedekte ijs. “Het is hier hardstikke glad”, bevestigt patrouillecommandant sergeant De Waal. De militairen hebben er minder last van: onder hun zolen hebben ze zespuntige stijgijzers bevestigd, die ze voor uitglijden behoeden.
De Waal legt uit dat de patrouille gaat kijken of er bij de verlaten stellingen van de Serviërs verderop nog militairen zitten. Hij voelt zich in het bos niet zo kwetsbaar: “Mocht er iets gebeuren, dan kunnen we ons er altijd met onze wapens uitvechten. Maar we zijn hier natuurlijk niet om te vechten maar om te controleren of het bestand wordt nageleefd.”
Mijnen
Volgens De Waal valt het met het risico van mijnen wel mee: de route is al door Britten gecheckt. Toch lijkt het besef dat overal mijnen kunnen zijn verborgen, goed te zijn doorgedrongen. De rijdende patrouilles worden altijd begeleid door een ziekenauto; als te voet wordt gepatrouilleerd gaat een hospik mee die eerste hulp kan verlenen als iemand op een mijn zou lopen. Per radio kan meteen een Britse helikopter worden opgeroepen die gewonden naar het door de Duitsers gerunde hospitaal in Split kan brengen. Deze middag blijft alles rustig; de patrouille komt niets tegen dat als inbreuk op 'Dayton' kan worden uitgelegd.
“We hebben de indruk dat partijen zich goed houden aan de verplichtingen”, zegt bataljonscommandant Theo Damen op zijn hoofdkwartier in het Vlasicgebergte, in wat ooit een hooggelegen wintersporthotel moet zijn geweest. Hotel Babanovac, in de bergen boven Travnik, is nu eens in de handen van de ene, dan weer de andere partij geweest. Alle hebben hun sporen achtergelaten. Al drie weken is een ploeg ingehuurde bewoners bezig de troep op te ruimen.
Damen is niet ontevreden over de gang van zaken in zijn gebied totnutoe. “Alle partijen werken mee. De Bosnische Serviërs hebben zich heel coöperatief opgesteld bij het aangeven van plekken waar ze mijnen hadden begraven. Natuurlijk laten we ook zèlf eerst door onze experts checken voor we zo'n gebied binnengaan.”
“Ik heb de indruk dat het wat tijd heeft gekost voordat het ook naar de laagste eenheden van de partijen was doorgedruppeld dat de leiders zich achter Dayton hadden opgesteld. Nu werkt men in onze sector goed mee. Nu is het belangrijkste dat hun militairen allemaal uit de 4 km brede Zone of Separation blijven en dat gaat goed. Alle partijen weten dat er geen rek in het akkoord zit. Natuurlijk houden ze ons in de gaten of we niet de anderen wèl in de bufferzone toelaten, met andere woorden: of we onpartijdig blijven.”
Damen meent al de eerste uitwerking van het vredesproces voor de burgers te hebben gesignaleerd. “De eerste tekenen van mogelijke terugkeer van bewoners - heel voorzichtige - zijn er al. Ik zou dat schitterend vinden, want dat zou betekenen dat Dayton ook in de harten en geesten van de mensen gaat leven in de trant van: Dayton werkt óók voor ons.”
In het gehucht Runjavica staat eerste-luitenant John Knijnenburg aan het hoofd van 37 man. Ook hij heeft op zijn post - een van de vooruitgeschovenste posities van de Nederlanders aan de noordkant van de zone - aan contacten met de bevolking het gevoel overgehouden dat de oorspronkelijke bewoners, Bosnische Serviërs, terug willen. Het is er nog niet van gekomen, maar uit gesprekken met de enige twee achtergebleven gezinnen krijgt hij de indruk dat de terugkeer van meer Servische gezinnen niet lang meer op zich zal laten wachten.
Ook de in rang hoogste Nederlander, brigade-generaal Coopmans, heeft het gevoel dat zijn militairen goed bezig zijn. Op zijn kantoor in Busovaca, beneden in het dal, blijkt hij niets te willen weten van het betoog van de militair management-deskundige dr. M. C. Hoff in Trouw (13 januari) dat de regering na het échec bij Srebrenica opnieuw slecht voorbereide militairen met een onmogelijke opdracht naar Bosnië stuurt.
“Ik heb meneer Hoff hier niet gezien, want dan zou hij hebben kunnen waarnemen dat de militairen prima zijn voorbereid, getraind en bewapend. Ook als er een guerilla-achtige situatie met gevechten van man-tegen-man zou ontstaan. De Nederlandse mannen en vrouwen - de rest van Ifor trouwens ook - zijn daar op getraind. Hoffs kritiek komt er op neer dat we alleen doorgaande wegen in de gaten kunnen houden en niet het hele terrein. Een paar weken geleden was dat zo, toen ontbrak hier nog een aantal eenheden. Nu zijn we compleet. We zijn gestuurd om te kijken of de afspraken uit Dayton worden uitgevoerd en daarvoor hebben we voldoende middelen.”
Coopmans: “De partijen houden zich rustig. Er is geen dreiging. Zodra de spanning toeneemt kunnen we de frequentie van de patrouilles opvoeren en onze aanwezigheid in het gebied versterken. En vergeet niet: ook vanuit de lucht worden er verkenningen uitgevoerd.”
De militairen is op het hart gedrukt relaties met de 'locals' op een laag pitje te ouden. Daarom komt het personeel in Busovaca eigenlijk nooit de basis af. Het risico dat één van de partijen Ifor niet langer als onpartijdig zal accepteren wordt tè groot geacht. Kortom: de Nederlandse mannen en vrouwen zitten zes maanden op afgelegen plekken in Bosnië, waar eigenlijk alleen degenen die patrouilleren (en de chauffeurs van het logistieke bataljon) hun neus soms buiten de deur kunnen steken, om door de duizenden uitgebrande huizen aan de verschrikkingen van de burgeroorlog in Bosnië te worden herinnerd. Wat betekent dat voor de motivatie van de mensen?
Hard werken
“Er wordt 15, 16 uur per dag gewerkt”, vertelt bataljonscommandant Damen. “Zondag heeft iedereen vrij; maar 's middags gaan ze weer aan de gang. De soldaat wordt goed betaald, maar overwerk betalen we niet. Die overuren registreer ik niet, want bij zoveel mensen zou dat de landmacht een lieve duit kosten! Maar het mooie is: problemen levert dat niet op: iedereen werkt gewoon keihard mee.”
Luitenant Knijnenburg heeft een simpel antwoord op de vraag wat de 37 man doen aan vertier op hun buitenpost: “Vertier? We hebben het veel te druk voor vertier. Alcohol is er hier niet bij. Daarvoor luistert het werk dat we doen tè nauw. Dat komt later wel weer - als we hier over een half jaar weggaan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.