*

 
dossier

Archief

Een plek om met z'n tweeen te zijn

PETER HENK STEENHUIS − 07/02/98, 00:00

Een halve eeuw geleden ben ik trappistin geworden: kloosterlinge in het klooster van Berkel-Enschot. De orde van de trappistinnen is vrij streng. Wij gebruiken sober voedsel, nooit vlees en leven in grote stilte, wat destijds zwijgplicht en gebarentaal betekende. Toch voelde ik snel na mijn intrede de wens naar nog meer eenzaamheid. Aanvankelijk kon dit niet, ik was slotzuster en de Abdis zei dat ik binnen de muren van de stilte als in een kluis kon leven. Pas een jaar of twaalf geleden werd het ook voor monialen mogelijk de roeping van kluizenares te volgen. Ik kreeg verlof voor een jaar, om eerst maar eens te kijken. Vervolgens voor twee jaar, toen voor drie jaar, daarna werd het tempus indefinitum.

Als kind verlangde ik al naar de stilte. Wij woonden in Tilburg, en wanneer ik met broers en zussen naar de nabijgelegen bossen en vennen van Oisterwijk ging, bleef ik over het stille water uitkijken terwijl de anderen pratend het bos inwandelden. Ik koos voor de orde van de trappistinnen, omdat zij verbonden zijn met de natuur: ze leven van het werk hunner handen. Vandaar dat ik als jonge zuster geregeld op de hooiwagen stond. Hoewel ik het boerenleven van huis uit niet gewend was - mijn vader was tekenleraar, wij waren netjes - vond ik die verbondenheid met de natuur prachtig.

Wij hadden een grote communiteit. Ik kreeg de opdracht zorg te dragen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van een groep zusters, zowel door het geven van conferenties over de Regel en de Spiritualiteit van de Orde, als in persoonlijke gesprekken met hen. Ze waren bijna allemaal ouder dan ik en hadden meer levenservaring. Het was geen gemakkelijke leerschool.

In de jaren zestig werd ik naar Afrika gezonden. Op verzoek van de bisschop aldaar gingen we met twaalf zusters in Oeganda een klooster stichten. In het begin huisden we in een Afrikaans pastorietje van vier kamertjes. Tussen onze bedden hingen gordijnen en we moesten het water van de daken opvangen. De kost verdienden we met het naaien van witte togen voor de Witte Paters - zo heten ze. Ik maakte knoopsgaten, lange rijen knoopsgaten van boven tot onderen. Voordat ik kon beslissen of ik voor een lange periode in Oeganda wilde blijven, werd ik teruggeroepen. In Nederland waren moeilijkheden ontstaan: er begon hier veel te veranderen en te verschuiven. Twijfel heerste alom. Het deed pijn om Oeganda te verlaten, want behalve de mooie natuur was ook het eenvoudige, warme geloofsleven van de Oegandezen zo verrijkend voor me geweest. En hier, op een conferentie in Noordwijkerhout, hoorden we dat we 'bij een nulpunt moesten beginnen'. Maar waar dat nulpunt lag wist niemand.

Niet dat hun twijfel mij vreemd was, een volwassen geloof zonder vragen en twijfel lijkt mij onmogelijk. Op een onverwachte manier was ik ook zelf in duisternis gedompeld geraakt. Toen ik op een dag liep te wandelen in de kloostertuin, zag ik plotseling een geweldig sterk licht. 'O maar God,' dacht ik ineens, 'God is gans anders dan wij denken. De theologie maakt er maar wat van.' Op dat moment veranderde mijn leven. In de bibliotheek van het klooster heb ik die theologieboeken hartgrondig staan verwensen: 'jullie hebben mij bedrogen, jullie hebben mij een papieren god gegeven'. Ik had niets meer, want toen de boeken wegvielen kon ik me nergens meer op beroepen. En die ervaring, ja, die had ik alleen, de paters die ons moesten begeleiden, snapten daar niets van. 'Pak de dictionaire van de theologie,' zei een van hen, 'bij het woord God vind je alles wat je weten moet'. Dat heb ik niet gedaan, ik wist wat daar stond.

In de bibliotheek stonden ook boeken over de oudvaders of woestijnvaders, kluizenaars die in Egypte in grotten woonden. Daar waren ook enkele vrouwen bij, maar die werden nooit 'oudmoeders' genoemd. Ook buiten het christendom hebben gelovigen voor de rijping van hun geestelijk leven de eenzaamheid opgezocht. In tegenstelling tot de theoretische theologie boeiden zij me wel, en hun behoefte aan eenzaamheid en stilte kon ik invoelen, maar helaas konden in onze orde vrouwen geen kluizenaar worden.

Bij de vernieuwing van onze constituties is door het Generale Abt met zijn bestuur goedgekeurd dat ook voor vrouwen het kluizenaarsleven is toegestaan, onder voorwaarde dat zij hun kluis vestigen op een kloosterterrein en blijven leven onder het bestuur van de eigen abdis.

Het was het jaar 1986. Vanaf 1967 was ik novicenmeesteres geweest. Een taak die ik van harte had vervuld. Een kluizenaarsbestaan betekende voor mij: alles loslaten wat me in die jaren zo dierbaar was geworden. De mensen, de gemeenschap, en zelfs het huis. Maar zegt Jezus niet, dat wie achterom kijkt hem niet waardig is? Ik ging dus zoeken naar een plekje waar een kluizenaarsleven mogelijk zou zijn. Op een keer bezocht ik toevallig de abdij waar ik nu woon, en toevallig was de abt thuis. Een paar dagen daarop schreef ik hem over mijn wens kluizenares te worden, zonder veel hoop trouwens. 'Die Abt is zo nuchter,'dacht ik, 'die gooit zo'n verzoek vast in de prullenmand.' Na twee weken kreeg ik een hartelijk briefje: 'Ja, het kan, kom maar eens kijken.' Zo is het begonnen. Eerst heb ik een tijd gewoond op een boerderij die tot het klooster behoort, daarna dienden deze huisjes zich aan, kippenhokken, waarvan de abt er een voor mij heeft laten inrichten, en van het noodzakelijke voorzien.

Tegenwoordig heb ik veel meer tijd voor het wezenlijke, het biddend vertoeven bij de Heer. Ik ben eenvoudig bij God. Het is de verliefdheid van mijn jeugd, die op mijn oude dag, mét de ervaring van het leven, verdiept is. Liefde is een groot woord, maar zo voel ik dat. En dankbaarheid en vreugde, dat zijn de grote lijnen die in mijn leven voelbaar zijn geworden.

De eenzaamheid is mij nooit aangevlogen, ik geloof dat zij bij mij en mijn liefdebeleving past. Voor liefde zoek je een plek om met z'n tweeën te zijn. Mijn gebedshoek in mijn huisje is zo'n plek, en ook het donkere, aan het zicht onttrokken hoekje in de kerk, waar ik mij in mijn zwarte kovel geborgen voel.

Ik sta om kwart over vier op en besteed de tijd tot half zeven aan gebed. Het bidden van het Jezusgebed (Heer Jesu, zoon van God, ontferm u mijner) is een tweede natuur geworden. Zoals in de Regel van Be-nedictus staat, bid ik wekelijks ook de honderdvijftig psalmen. Ik begin zondag bij psalm één en eindig zaterdag met psalm honderdvijftig. Je voelt dat daartussen het hele leven beschreven staat, in zijn schoonheid en lelijkheid, want de psalmen hebben ook aardig wat vloekverzen. Ik heb het land aan die vloekverzen, maar wraak en haat horen bij lof, dank en smeking. Ik heb weinig last van wraak- en haatgevoelens, maar hoe weet ik wat ik zou voelen als mij iets ergs wordt aangedaan?

Ik geloof sterk in de kracht van het gebed. Niet ver van het klooster raast tegenwoordig de snelweg. Het nachtelijk vrachtverkeer irriteert me nooit, ik voel me verbonden met de chauffeurs, ik bid voor hen, en ik ben ervan overtuigd dat er ergens in hun leven een vingerwijzing Gods zichtbaar zal worden. Mijn gebed is mijn verbondenheid met de wereld.

Tussen half zeven en kwart voor zeven drink ik koffie, dat moet ook gebeuren. Dan ga ik lezen of de post bijwerken. De hoeveelheid post is soms een handicap. Ik krijg weinig post van mijn eigen klooster: zij weten dat je een kluizenares niet te veel moet storen. Maar wel post van onbekenden die elkaar mondeling doorgeven dat daar en daar een kluizenares woont. Ze schrijven over wat ze meemaken, slaken noodkreten en vragen geestelijke bijstand. Kun je ons niet leren hoe jij met God leeft? Als ik zie dat het nodig is, nodig ik ze uit als ze om een gesprek vragen.

Tegen half acht ga ik naar de Abdijkerk voor het Morgen-officie. Als ik terugkom is het kwart over acht, dan ga ik groente uit de tuin halen en eten klaarmaken voor 's middags, ik schil aardappelen of kook rijst. Om half tien ga ik naar de hoogmis, waarna ik tot half een in de kerk blijf bidden. Dat vind ik een prachtige tijd, dan ben je er echt voor elkaar. Soms zijn dat heel innige uren, soms komen er moeders of oma's met kleine kinderen, die van alles willen weten: 'Wanneer komt de Lieve Heer tevoorschijn?' vroeg 'n meisje van drie, die heel vertrouwelijk naast me kwam zitten wachten. Ik stelde voor samen een liedje te zingen voor de Lieve Heer. Maar heel gedecideerd zei het kleine ding: 'Nee, eerst moet Hij komen!'

Als ik terugkom, eet ik en ga aan het werk: het huis opruimen, de was doen, onkruid wieden en groente verbouwen. Ik worstel met de muizen en de konijnen: als ik twee keer te veel zaai, houd ik net genoeg over.

Tussen twee en half drie ga ik nog even bidden. Om half vijf is het tijd voor de Vesper, die ik wat uitbreid door na afloop een kwartiertje te blijven nabidden. Daarna studeer ik twee uur, meestal lees ik schrijvers van de orde, soms Augustinus, soms Gregorius de Grote.

Ik schilder ook iconen, dat moet je met grote intensiteit doen, aandachtig, mediterend. Als je zo maar een icoon schildert, krijg je, om maar iets te noemen, poppenogen: grote, ronde ogen zonder geestelijke uitdrukking. Af en toe verkoop ik een icoon, maar het dekt niet mijn levensonderhoud. Ik heb AOW. Wat ik aan inkomsten ontvang gaat naar het klooster in Berkel-Enschot. Van de communiteit ontvang ik genoeg voor de huur van het huisje, en voor het noodzakelijk levensonderhoud dat ik bij de SRV-wagen koop, die eenmaal in de week langskomt. Tegenwoordig bereid ik ook retraites voor, dat zijn conferenties over spiritualiteit, die in kloosters worden gegeven. Ik denk nu na over de vier elementen waaruit de mens is opgebouwd: water, aarde, lucht en vuur. Als wij daaruit zijn opgebouwd, moet het gebed ook die kenmerken hebben: het moet aards zijn, vloeiend als water, en iets van het vuur en de adem van de Geest hebben.

Het laatste gebed van de dag, de Completen, bid ik altijd in mijn kluisje. Zelden slaap ik de hele nacht door, zodat iedere nacht momenten kent dat ik bij Hem ben die mij lief is, en bij de velen die in nood verkeren, of geen thuis hebben.

Het komt geregeld voor dat ik weken niemand spreek. Ook met de monniken praat ik zelden, al hoor ik in de kerk hun gezang. Maar als ik mensen spreek voel ik mij niet gestoord. Met de omringende natuur heb ik een mooi contact. Zo was ik eens getuige van de initiatie van een jong konijntje, zag ik hoe een oude mees hulp bood aan een jong meesje, dat gevallen was, hoe een moedermuis, staande in het gat in de grond, met 't ene pootje eikels naar binnen veegde: wintervoorraad voor haar kroost! Ze keek me zo fier aan: je ziet dat ik veel te doen heb.

Ik kan genieten van de wind in de bomen, of door 't maïsveld heen. Van mooie wolkenluchten en prachtige sterrenhemels. Soms als het stormt en de weg vol boomtakken ligt, voel ik me vervuld van ontzag.

Hoewel ik dus zelden iemand spreek, is mijn leven zeker niet eenzaam of ongezellig. Mijn kluis is vervuld van aanwezigheid en ik leef in gezelschap van de natuur. Dat is vreemd voor een buitenstaander, maar de natuur spreekt een taal waarin ik Gods aanwezigheid gewaarword. Als ik 's morgens op weg naar de kerk dit paadje afloop, komt het altijd bij me op: 'ja, jij bent God, jij bent werkelijk God. En ik, ik ben maar zo klein, ik kan alleen bewonderend toekijken'.

Die aanwezigheid ervaar ik ook in het Heilig Sacrament. De nabijheid van God is in die Tekenen bewaard gebleven. Dat ervoer ik als kind al. Wanneer ik na het boodschappen doen, of op de terugweg van de kermis even de kerk inliep was daar een aanwezigheid. Het is het Sacrament.

Als proef op de som ben ik een protestantse kerk ingelopen. 'Nederlands Hervormde kerk' stond erop. Toen ik de deur open-deed kwam mij een kilte tegemoet. Er waren banken, er stond een preekstoel en er was een busje voor de zending. Verder was het koud, ik ben weer vlug weggegaan. Protestantisme is niks voor mij.

Ten tijde van mijn intrede heb ik de gezelligheid van het ouderlijk huis wel gemist. Ik kom uit een gezin van tien kinderen. Ik miste het bramen plukken met ons hele gezin, de picknicks. Ook moest ik afstand doen van het idee moeder te worden. Net als mijn moeder wilde ik een gezellige huiskamer vol kinderen. En ook het verlangen te leven voor de kunst gaf ik op. Wanneer mijn vader in zijn vrije tijd schilderde, ging ik dikwijls achter zijn stoel staan, zo maar kijken. Lang heb ik willen schilderen. Tot ik op een avond Christus zó nabij voelde dat ik wist: nu moet je kiezen voor de Christus of voor de kunst. Ik zocht nog een uitweg: hij is de schoonste der mensen, dus als ik voor de kunst doorga en hem dikwijls uitbeeld, is het misschien ook goed.

De laatste jaren komt de gedachte wel eens boven dat ik nu, aan het einde van mijn leven, terugkrijg wat ik toen heb losgelaten. In het schilderen van iconen keert mijn liefde voor de kunst terug, en de mensen die naar mij toekomen om steun worden een beetje mijn kinderen.

Ik ben nu ruim elf jaar kluizenares, en het zal van mijn gezondheid afhangen hoe lang ik hier kan blijven. 's Zomers is het pad naar de kerk goed begaanbaar, maar 's winters is het nog al eens glad of modderig. Soms schuifel ik voetje voor voetje naar de kerk, bijna nooit moet ik besluiten thuis te blijven bidden.

Ik ben blij niet te vroeg de eenzaamheid te zijn ingegaan. De heilige Benedictus is in zijn jonge jaren uit Rome weggetrokken en heeft drie jaar, zonder voorafgaande voorbereiding, in een grot gewoond. In de Sint Benedictus Regel voor monniken komt hij hierop terug: je moet eerst in gemeenschap leven en strijden en pas dan de eenzaamheid in trekken.

Of mijn leven zich met de stilte verdiept, is een vraag waar ik veel over nadenk maar die ik niet kan beantwoorden. 'Uit de diepten roep ik tot U' staat in de psalm. Dus moet een mens meerdere diepten hebben. De diepste diepte zal je op het moment van je dood ontmoeten, als je binnengaat in het uiteindelijke geheim. Dan zal je God mogen zien van aanschijn tot Aanschijn. Daar is mijn leven op gericht, ik wil ook zien, niet alleen maar horen. 'Hou je van mij,' vraagt Jezus aan Petrus. 'Ja,' zegt Petrus, 'natuurlijk'. Als Jezus dat voor de tweede keer vraagt, wordt Petrus voorzichtiger, en bij de laatste diepte, de laatste fase zegt hij: 'Heer Gij weet alles, gij kent alles, Gij weet dat ik van u houd.' Daar tussenin zit voor mij nog een diepte: 'Gij weet dat ik van u wil houden, al lukt het me niet zo goed als ik zou willen'."

mailIcon print |