DEN HAAG - “Als je Falko vraagt of hij in een wak zit, zal hij zeggen dat het daarvoor nog niet genoeg dooit.” De voorkennis komt van Sjoerd de Boer, trainer van het gewest Friesland en vertrouwensman van de wereldkampioen schaatsen van drie jaar geleden.
De veronderstelde beeldspraak van Falko Zandstra zou best eens op zijn sportcarrière kunnen slaan. Niemand wil er aan, iedereen spreekt hem op vertederende wijze moed in, menig kenner staart zich suf om maar lichtpuntjes te signaleren en hijzelf werpt iedere suggestie in de richting van een somber scenario ver van zich af, maar wat is er voor de Fries nog te winnen, nu hij na zijn vierde plaats op het NK allround zowel het Europese als het wereldkampioenschap op zijn buik kan schrijven? En hij, te beginnen in Davos, in het wereldbekercircuit ineens mijlenver boven zichzelf moet uitstijgen om redelijkerwijs in aanmerking te komen voor deelname aan de WK afstanden? Als de oplossing in de pas bijgevulde schappen van de buurtsuper liggen, is het probleem Zandstra morgen uit de wereld. Iedereen die zich zijn lot aantrekt spreekt zijn onvoorwaardelijke vertrouwen in hem uit, maar weet in de verste verte niet hoe hij hem zinvol van dienst kan zijn.
Zandstra probeert er - dat is nu eenmaal zijn natuur - niet moedeloos van te worden en klampt zich vast aan de strohalmpjes die hem vorig seizoen ook baat brachten: een relaxed verblijf in Davos en de herinnering aan een langzaam startende motor die naarmate het seizoen vordert, steeds beter op toeren komt. In 1995 was er nog wat te winnen - een plaats in de WK-ploeg bijvoorbeeld - nu niets meer, tenzij één van de EK-gangers (Ritsma, Postma of Hersman) over twee weken in Heerenveen niet bij de eerste zes eindigt. In dat geval volgt er voor Inzell nog een kwalificatiewedstrijd.
Falko Zandstra, dat zal duidelijk zijn, reed op de Haagse Uithof een belabberd NK. Na de 500 meter was het al voorbij. De Fries kwam geen moment in zijn slag, schaatste derhalve krachteloos de meters weg en liet ook de bochten lopen, daar waar hij normaliter snelheid maakt. “Dat was teleurstellend. Dat was balen. Wat moet ik er meer van zeggen”, probeert hij in eerste instantie. “Nog nooit heb ik zo'n slechte 500 meter gereden. Geen enkele klap was raak. Op een gegeven moment reed mijn tegenstander Jeroen Straathof voor me. Ik dacht: wat krijgen we nou?”
Op de vijf kilometer hervond Zandstra pas aan het eind zijn ritme, de 1500 meter - toch ook zijn afstand - was daarentegen weer een flagrante mislukking. Over de langste afstand deed hij “een rondje te lang” (dixit: mannencoach Henk Gemser). Zandstra hield een 'keurig' vlak schema aan, maar wel één doorspekt met 35'ers. Omdat Straathof ten prooi viel aan een gigantische inzinking (hij had er zelfs een paar veertigers tussen), eindigde Zandstra nog als vierde. Net als twee jaar geleden op dezelfde baan - toen miste hij, snotterend van de griep, slechts het WK aan het eind van een lang Olympisch seizoen - maar nu was het nog minder dan niks en weet de (fysiek) blakend gezonde schaatser zich omringd door louter vraagtekens.
Vorig jaar meende de krom geslagen gespierde spijker de oorzaak nog in de disfunctionerende kernploegtrainer Wopke de Vegt te vinden. Ofschoon het nu in feite nog slechter gaat, ligt het voor zijn gevoel niet aan opvolger Gemser. “Ik heb nog nooit zo hard getraind,” zegt hij. “Ik heb ook zelden zo goed getraind. En ik ben erg gemotiveerd. Dat was vorig seizoen niet zo. Op zich schaats ik goed. Op de trainingen gaat het fantastisch. Ik kan het alleen niet omzetten in de wedstrijden.”
Een aantal 'zekerheden' wil Zandstra voor geen geld accepteren. Bijvoorbeeld, dat hij moeilijk met de druk van het volwassendom om kan gaan, nu hij getrouwd is en maandelijks veel geld voor de aflossing van een duur huis moet opbrengen. Vandaar dat hij de afgelopen zomer aan de KNSB een hoger basissalaris vroeg en kreeg - veertig mille - in de overtuiging dat hij er door prestatiebonussen zeker nog een jaarloon bij zou verdienen. Een andere 'zekerheid' is dat zijn eigen geschiedenis hem achtervolgt. Alles ging lange tijd vanzelf. De jackpot uit de Britse lotto rolde bij wijze van spreken wekelijks bij hem binnen: tweemaal wereldkampioen junioren en in dezelfde moeite door twee keer Europees en eenmaal wereldkampioen bij de senioren. De warming up nam hij letterlijk: de warme kachel in de kleedkamer. Gemser: “Als hij toen de 500 meter reed, zag hij wel hoe laat hij aankwam. Dat was dan 37 seconden later.”
Zandstra lijkt het meest geholpen wanneer hij helemaal op het nulpunt kan beginnen. Yvonne van Gennip, in every inch een tobber, won op de Olympische Winterspelen van Calgary drie gouden medailles, nadat ze door een voetoperatie het seizoen al had afgeschreven. Daarvoor vindt Zandstra zijn niveau nog te hoog en zijn problemen te marginaal. “Ik moet gewoon een keer hard rijden. Misschien zit het inderdaad tussen de oren. Ik ga met mijn vrouw naar een lekker oord. Ik ga in Davos een beetje in de zon zitten en hoop dan in vorm te komen. Dat is al vaker gebeurd.” Slapeloze nachten zegt hij er nog niet van te hebben. “Ik ben niet iemand die er over nadenkt. Ik blijf goed slapen.”
Vandaar dat hij hoopt dat één knaller op de 1500 of 5000 meter komend weekeinde de ommekeer betekent. “Wat des Falko's is moet hij bij zichzelf mobiliseren,” zegt Gemser in zijn jargon. De bondscoach vreest dat zijn huidige maatschappelijke status wel degelijk belemmerend werkt.
Ritsma, die voor het eerst in zijn loopbaan nationaal allroundkampioen werd (ondanks een matige 500 meter), denkt dat Zandstra de individuele aandacht mist die zijn persoontje als eenling in een commerciële ploeg wel krijgt. De afgelopen zomer had het er even schijn van dat de twee Friezen elkaar in een fabrieksteam zouden vinden. “Ook zoals Falko nu rijdt, zou ik er geen enkele moeite mee hebben als hij er bij was gekomen,” zegt Wopke de Vegt. “Commercieel scoren die twee goed.” Alsof snelle tijden minder belangrijk zijn dan samen in bad zitten in een Sterspotje. Gemser bestrijdt overigens dat hij door de omvang van de kernploeg te weinig aandacht aan een individu als Zandstra kan besteden. “Mijn klus is niet zo groot dat ik het niet kan behappen.”
Gemser keek met gemengde gevoelens terug op het NK allround. Het is verre van denkbeeldig dat zijn collega De Vegt indirect met een Europese titel kan pronken. Ritsma overdrijft niet wanneer hij zich kwalificeert als “de enige allrounder die straks op het EK rondrijdt”. Postma is na de ziekte van Pfeiffer nog lang niet de oude (zo reed hij gisteren zijn eerste tien kilometer na krap twee jaar), Hersman was opgetogen over zijn derde plaats, maar blijft zijn beperkingen op de lange afstanden houden. Veelzeggend was wel weer dat hij op het harde, 'greeploze' ijs de snelste 500 metertijd in zijn leven klokte. Daarmee is voor Gemser de koek wat betreft de alleskunners op: Straathof weet nu echt zeker dat hij op de 1500 meter (en de vijf kilometer) moet mikken, terwijl de revelaties van het NK - wereldkampioen junioren Bob de Jong en de op een klapschaats rijdende Carl Verheijen - pur sang stayers zijn. Talent blijft er bij de mannen in overvloed, maar het is voor Nederlandse begrippen wel een gekke gewaarwording dat de spoeling onder de klassementsrijders zelden zo dun was.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.