*

 
dossier

Archief

Artsen verliezen vertrouwen in OM/Josephus Jitta: Je kunt onzorgvuldig euthanasiebeleid niet met rechtsvervolging ondersteunen

ALDERT SCHIPPER − 03/02/96, 00:00

AMSTERDAM - Niet alleen ten aanzien van de zware criminaliteit heeft justitie steken laten vallen. Dat de euthanasie-zaak tegen de Alkmaarse oncologisch chirurg dr. A. Smook deze week mislukte, is veroorzaakt door tweespalt tussen het college van procureurs-generaal en het openbaar ministerie in Alkmaar, waar de procureurs-generaal minister Sorgdrager blijkbaar buiten hebben gehouden. Toen zij van de zaak hoorde, was zij hoogst verbaasd.

Hoewel de zaak moeilijk als een proefproces kan worden aangemerkt, zetten de procureurs-generaal sinds 1993 toch door, en moest de Alkmaarse hoofdofficier mr. A. Josephus Jitta tegen zijn zin en tegen de wens van de rechtbank onder dreiging van ontslag procederen.

Deze vroegere hoofdofficier van justitie was bepaald niet verbaasd toen hij in de kranten las dat de Alkmaarse officier van justitie mr. G. Botman niet ontvankelijk was verklaard in de euthanasie-zaak tegen Smook.

“Ik ben blij voor Smook, maar niet dat de indruk wordt gewekt dat de zaak te lang in Alkmaar is blijven liggen. Er is achter de schermen veel gebeurd en dat heeft tijd gekost. De vervolgingsopdracht bleef tegen onze zin gehandhaafd.” Mr. Jitta komt met zijn onthulling omdat het hem aan het hart gaat dat het mede door hem opgebouwde vertrouwen van de Noordhollandse artsen in het openbaar ministerie dreigt teloor te gaan door de vervolging van artsen die zorgvuldig hebben gehandeld. “Het heeft nu al geleid tot de gevreesde terugloop van meldingen”, meent hij.

Woensdag kon de rechtszaak tegen Smook niet beginnen doordat de officier bij de rechter geen begrip kon wekken voor het feit dat de zaak van april 1993 tot januari 1996 in onderzoek was gebleven. Dat was de rechters veel te lang.

Volgens Josephus Jitta werd de vertraging in eerste aanleg veroorzaakt doordat minister Hirsch Ballin (justitie) midden 1993 het vervolgingsbeleid veranderde, zodat artsen volgens het kabinetsstandpunt inzake medische beslissingen rond het levenseinde geen beroep konden doen op overmacht als de patiĆ«nt niet in de stervensfase verkeerde. Hij liet het college van procureurs-generaal toen weten dat zij elke zaak dienden te vervolgen waarbij geen sprake was van stervensfase. Hirsch Ballin gaf aan deze maatregel echter verder geen ruchtbaarheid. Het openbaar ministerie en de artsen, verenigd in de Koninklijke Maatschappij voor de Geneeskunst kregen er niets over te horen. “Dat er iets veranderd was konden wij alleen opmaken uit de verslagen van de vergaderingen van het college die wij kregen. Alle euthanasie-zaken waarbij een arts euthanasie gaf buiten de stervensfase werden opzijgelegd. In december 1993 waren dat er veertien. In Alkmaar twee, waaronder de zaak-Smook.”

“Toen ik in december '93 opdracht kreeg die twee artsen te vervolgen en zo de verandering gewaarwerd, stuurde ik een brief aan mijn chef, procureur-generaal Van Randwijck in Amsterdam. Ik heb de brief er nog even op nagelezen. De argumenten die ik had om niet te vervolgen legde ik uitvoerig aan hem voor. Dat de stervensfase nodig was, wilde de arts met succes een beroep op overmacht doen, had Hirsch Ballin aan een arrest uit 1988 ontleend, maar ik kon dat er met de beste wil niet uithalen. Maar ja, als de minister het er wel in las, schreef ik, dan zou ik mij er nog wel in kunnen schikken.”

Jitta's brief wees er verder op dat vervolging onherroepelijk zou leiden tot terugloop van meldingen van onnatuurlijke dood. Artsen zouden dan weer bij euthanasie 'natuurlijke doodsoorzaak' opgeven met alle risico dat zij zouden sjoemelen of naar de morfinespuit zouden grijpen.

In deze periode boog de Hoge Raad zich juist over de zaak-Chabot, de psychiater die een diep-verdrietige vrouw die haar twee zoons had verloren, hielp bij haar zelfdoding. “Ik stelde voor te wachten totdat de Hoge Raad zijn standpunt gereed had in deze zaak. Zou de Hoge Raad bepalen dat artsen zich buiten de stervensfase niet op overmacht kunnen beroepen, dan zou dat het kabinetsstandpunt versterken. Zou de Raad daar anders over denken, dan zou het openbaar ministerie een beleidswijziging met negatieve gevolgen voor de meldingsbereidheid en vervolgens een pijnlijke correctie bespaard blijven.”

Het belangrijkste argument dat Jitta in zijn uitvoerige brief aan Van Randwijck noemde tegen vervolging van Smook, was dat de minister had nagelaten de wijziging in het regeringsstandpunt aan de doelgroep te communiceren, de KNMG. “Ik vond dat onbehoorlijk, omdat de KNMG ook betrokken was geweest bij het opstellen van de meldingsprocedure. Het beleid mag gerust veranderen, maar je moet een wijziging tijdig aan de doelgroep doorgeven en die de tijd geven er op in te spelen. Ik vond dat je onzorgvuldig beleid niet met rechtsvervolging kon ondersteunen.”

Voor Josephus Jitta kwam er nog een persoonlijk argument bij. Hij was al ruim tien jaar betrokken bij periodieke gesprekken met de artsen in Noord-Holland, vooral met de vertegenwoordigers van de 140 specialisten in het Medisch Centrum Alkmaar, een van de grootste perifere ziekenhuizen in Nederland. Het beleid had gezorgd voor een goed werkende euthanasie-praktijk, waarbij gedurende Jitta's fungeren als officier en later hoofdofficier van justitie eigenlijk nooit iets is misgegaan.

Er kwamen meer meldingen van onnatuurlijke dood in het ressort Alkmaar binnen dan op grond van de landelijke cijfers mocht worden verwacht. “Ik heb 500 gevallen van euthanasie kunnen beoordelen, ik heb nooit gemerkt dat artsen lichtvaardig tot deze stap overgingen. De rol van de officier van justitie bij euthanasie-zaken moet er een zijn van touch and go. Ik heb ondervonden dat men onder artsen erg zorgvuldig is met het verlenen van stervenshulp. Ik had vertrouwen gekregen en vrienden gemaakt. Als ik die mensen nu ineens zou vervolgen, zou dat een vertrouwensbreuk betekenen. Ik verlangde daarom, als ik toch zou moeten vervolgen, een schriftelijke opdracht van de minister, die ik aan het dossier zou kunnen toevoegen.”

Van Randwijck zat met de zaak omhoog. Blijkbaar was hij ermee naar secretaris-generaal G. van Dinter van het ministerie van justitie gegaan. “Na een briefwisseling met Van Randwijck bleef het stil, totdat ik bij Van Dinter werd ontboden. Hij stelde me eenvoudig voor de keus over te gaan tot vervolging of te vertrekken. Het verbaasde mij dat hij noch Van Randwijck inhoudelijk inging op mijn argumenten. Ik kreeg de opdracht en had die maar uit te voeren. Ik gaf toen toe.”

“Intussen was er wel een half jaar voorbijgaan. Het was zomer 1994 geworden. Maar hiermee waren de problemen nog niet voorbij. Ik vorderde bij de rechter-commissaris een gerechtelijk vooronderzoek en legde daarbij schriftelijk uit dat een gedachtenwisseling met Van Randwijck oorzaak was van de vertraging. Inmiddels kreeg ik het arrest van de Hoge Raad in de zaak-Chabot onder ogen, waaruit bleek dat de stervensfase niet meer nodig was voor straffeloze euthanasie. Ik legde de tekst van de uitspraak over Chabot in het dossier en ik schreef erbij dat het arrest naar mijn mening de vervolging zinloos maakte. Als de rechter-commissaris mijn zienswijze deelde, zou een afwijzing van de vordering in de rede liggen. De rechter-commissaris wees inderdaad de vordering af. De procureurs-generaal hielden echter vast aan het hoger beroep. Toen was het eind februari 1995. 'Alkmaar' kreeg opdracht de zaak op de zitting te brengen.”

Josephus Jitta was al in oktober 1994 naar het departement vertrokken om daar een andere functie te aanvaarden. “Het had niet met de euthanasie-discussie te maken. Mij werd de campagne te bezwaarlijk die de pers tegen mij voerde als de hoofdofficier die volgens sommige advocaten te snel door de bocht wilde.”

Na Jitta's vertrek ging er nog een tijdje overheen en deze week kwam de rechtbank tot de slotsom dat de zaak te oud was geworden voor verdere vervolging. Of officier Botman in hoger beroep zal gaan, hangt ervan af of de procureurs-generaal vasthouden aan hun beleid.

mailIcon print |