*

 
dossier

Archief

MAHLER FEEST

FRANZ STRAATMAN − 13/05/95, 00:00

De zevende symfonie was de laatste die Gustav Mahler zelf in Amsterdam introduceerde. De eerste uitvoering ervan vond zelfs niet in Amsterdam plaats, maar in Den Haag op 2 oktober 1909, in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschap waar het Concertgebouworkest een eigen serie had, bekend als 'de Mengelberg-concerten'.

Op de matinee van 3 oktober werd - met na de pauze de tweede symfonie van Beethoven - de zevende in Amsterdam ten gehore gebracht. Mahler was bij dit laatste bezoek aan het Concertgebouworkest weer reusachtig tevreden over het voorwerk dat Mengelberg had verricht en over de kwaliteit van het orkest. “Het orkest is heerlijk, en een waarlijke verkwikking na de ervaringen in New York.”

De musici kwamen zelf met het voorstel dat Mahler ook wat anders dan eigen werk dirigeerde, vandaar dat die tweede Beethoven op het programma kwam en, voor de derde uitvoering, het voorspel tot 'Die Meistersinger von Nürnberg'. Een opmerkelijke combinatie van feestmuzieken, ook omdat Mahler het werk van Wagner als tweede wenste op het programma. Louter toeval, maar wel héél toevallig: elders in Amsterdam bereidt het Nederlands Philharmonisch Orkest zich op dit moment voor op de première (op 1 juni in het Muziektheater) van 'Die Meistersinger von Nürnberg'.

In Amsterdam was de ontvangst van de zevende bij het publiek positiever dan in Den Haag, maar er liep wèl iemand weg uit de Concertgebouwzaal, schreeuwend: “Het schandaal, dat hier zùlke muziek wordt uitgevoerd.” Alphons Diepenbrock vond dit ook weer een echt Mahler-werk met lelijke dingen naast de allermooiste.

Het derde bezoek van Mahler aan Nederland had drie jaar op zich laten wachten. Van het plan om in 1907 de zesde symfonie te dirigeren bij het Concertgebouworkest was niets terecht gekomen. Een suggestie van Mahler aan Mengelberg dat hijzelf de zesde in première moest brengen, voerde laatstgenoemde pas in 1916 uit. Alhoewel in de jaren '10 dank zij Mengelbergs promotie-arbeid het publiek meer en meer ingenomen raakte voor Mahlers muziek, ontmoette die zesde weerstand.

De muziekpublicist/componist Matthijs Vermeulen: “Wat men het eerst aan deze symfonie opmerkt is een fonkelnieuw instrument, dat tweemaal in het werk wordt gebruikt, een grote kist waarop een musicus uit alle macht slaat met een grote plank. In het orkest heette dat reeds het Hoofd van Jut. Mahler wenste daar een hamerslag en dat doel is bereikt. Men lachte er genoegelijk mee en bij alle respect voor Mahler zal men er altijd mee lachen want zo iets staat aan de grenzen der verdwazing.”

In het boek 'Mahler in Amsterdam' (uitgave Thoth/Gemeentearchief) waaruit dit citaat komt, is ook een overzicht opgenomen dat onthullend is voor die zogenaamde Mahler-traditie in Amsterdam. Daaruit blijkt dat Mengelberg eigenlijk met een grote boog om de tweede symfonische helft van Mahler heen liep. De zesde deed hij na 1916 alleen in 1920 (1e Mahler-feest) en in 1931. Pas in 1955 kwam deze problematische symfonie weer terug onder leiding van Eduard van Beinum. Het bleef een weinig gespeeld werk, want Haitink deed hem alleen in 1968 en nam hem in 1969 voor de plaat op.

De zevende schoot ook weinig wortel: tussen 1920 en 1941 (nazi-verbod op Mahler) ging de zevende maar vier keer compleet en werden er los drie delen uit gespeeld. Na 1945 duurde het tot 1958 dat weer Eduard van Beinum de zevende uitvoerde; van dan af is er sprake van een zekere regelmaat. Ook de achtste en negende symfonie gingen weinig, maar overweldigend blijkt het aantal keren van 'Das Lied von der Erde' tot 1941: in zestien van de 21 seizoenen klonk dat.

mailIcon print |