*

 
dossier

Archief

BESTUURSSTRUCTUUR

ESTHER HAGEMAN − 13/09/95, 00:00

Minister Ritzen van onderwijs wil de democratie op de universiteit, de 'bestuursstructuur', ingrijpend wijzigen. Twee weken geleden kwam hij daarover met een conceptwet. Daarin gooit Ritzen het kind met het badwater weg, vinden twee oudgedienden in de universitaire democratie: de Rotterdamse UR-voorzitter dr W. Foppen, en de vroegere studentenleider Eduard Bomhoff, tegenwoordig hoogleraar economie aan Nijenrode.

Dr. W. Foppen, eens per maand voorzitter van de universiteitsraad van de Erasmus universiteit, vindt de kritiek op het democratische bestel van de Nederlandse universiteiten eerlijk gezegd geklets.

Foppens hoofdtaak is er eentje waarbij je een hang verwacht naar 'korte beslislijnen', en meer van dat moderne, post-democratische gedachtengoed. Hij is Dean van de Rotterdam School of Management. Dat is zo'n dure (40.000 gulden per jaar) opleiding voor wie het top-management in wil, en daarbij een MBA-diploma nodig heeft.

Maar Foppen heeft ook een andere zijde. Vier jaar de Erasmus universiteit bestuurd, dalijk zes jaar UR-voorzitter geweest, gepromoveerd op de universitaire democratie, daar nog regelmatig over publicerend - de universitaire democratie is onderhand zijn specialisme. En steeds is zijn boodschap: kijk uit, pas op, zet het democratische bestel dat we nu op Nederlandse universiteiten hebben, niet te snel bij de vuilnisbak.

Foppen is dan ook helemaal niet te spreken over de conceptwet waarmee minister Ritzen van Onderwijs twee weken geleden kwam. Daarin staat een plan voor een heel nieuw bestel. De universiteitsraad, nu het hoogste orgaan, verliest daarin z'n beslissingsbevoegdheid. Het wordt ofwel een ondernemingsraad (zonder studenten, zij krijgen een aparte raad), ofwel een medezeggenschapsraad, die alleen nog mag instemmen met wat het bestuur van plan is. In plaats van zo'n gekozen raad krijgt het bestuur een Raad van toezicht boven zich, een driemanschap dat door de minister wordt benoemd. Academische ziekenhuizen hebben dat sinds een paar jaar ook.

Een laag dieper in de pyramide verliest de faculteitsraad z'n macht, ten gunste van de dekaan. En helemaal onderin het universitair gebouw verdwijnt de vakgroep, de werkeenheid van een hoogleraar met medewerkers.

Er zijn veel misverstanden over de universitaire democratie, vindt Foppen - en helaas overheersen ze de discussie nogal. Een ervan is dat er ter universiteit zo veel vergaderd zou worden. Hoezo, veel, zegt hij dan: hoogst zelden doet de Rotterdamse universiteitsraad langer dan twee uur over z'n maandelijkse vergadering.

Een tweede misverstand is dat het democratische gehalte van een universiteitsraad een farce zou zijn omdat de opkomst bij de verkiezingen zo laag is: rond de 35 procent bij studenten, hooguit 55 procent bij het personeel. Als dat bezwaarlijk is moeten ook gemeenteraadsverkiezingen maar worden afgeschaft, vindt Foppen. En daar zou toch niemand voor zijn.

Wat is er dan van waar dat de democratisch gekozen raden snelle besluitvorming, en vernieuwing, zouden tegenhouden?

Niets, vindt Foppen. “Het antigevoel over universiteitsraden is een buitengewoon stereotiep oordeel dat je aantreft bij een clique van bestuurders die hun mening nooit toetsen, en hun borrelpraat als 'discussie' slijten. Ze vertonen claim and blame-gedrag: wat goed gaat is eigen verdienste, wat niet goed gaat ligt aan een ander. Een paar universiteitsbestuurders springen daar in gunstige zin uit: in Amsterdam Gevers, in Delft De Voogd. De overigen zijn winkelbeheerders, die ten onrechte denken dat ze worden tegengewerkt wanneer ook anderen meedenken.”

Volgens Foppen moeten universiteitsbestuurders juist blij zijn dat ze een raad hebben, en zijn de goede dat ook. “Vroeger had een bestuur een staf van ambtenaren. Daar is overal in de jaren tachtig sterk op bezuinigd. Gevolg is dat een bestuur alleen nog van de raad intelligente kritiek op z'n plannen krijgt, vaak in de commissievergaderingen.

“Zo'n raad heeft de functie overgenomen van de vroegere stafambtenaren. Een van de ergste bedreigingen in Ritzens voorstel is dat het bestuur een Raad van Toezicht boven zich krijgt.” Met leedvermaak: “Stel je maar voor wat daar in gaat: een paar gesjeesde politici die twee dagen per week komen meepraten. Dat wordt een véél harder gevecht dan nu met de UR.”

Ooit was Eduard Bomhoff student economie, was het 1968, en zat hij de Nederlandse Studentenraad voor, een verre voorloper van de huidige studentenorganisaties LSVb en ISO.

Bomhoff zat er destijds met de neus bovenop toen de eerste palen werden geslagen voor de structuur die Ritzen nu wil afschaffen. Sinds bijna een jaar is Bomhoff hoogleraar aan de universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode, na jaren van hoogleraarschap aan de Rotterdamse universiteit. Hij vertrok er met veel tromgeroffel, “niet omdat het in Rotterdam erger is dan aan een andere universiteit”, zoals hij zegt, maar omdat hij het klimaat aan de doorsnee Nederlandse universiteit niet werkbaar vond.

Maar de crux daarvan zit volgens hem niet in de democratie van universiteits- of faculteitsraden. “Er is destijds één bestuurslaag te veel gekomen: de vakgroepen. Dat was een kopie van wat ze op dat moment in Frankrijk deden, met de wet-Faure. Wij, de studenten, moesten bij minister-president De Jong en minister van Onderwijs Veringa komen. Die waren een beetje zenuwachtig, bang dat de studentenopstand in Parijs naar Nederland zou overslaan.”

“In zo'n vakgroep heerst een regime van one man, one vote. En dat betekent dat je je moet bergen wanneer je een ijverig mens bent temidden van luie anderen. Er is geen structuur om uitwassen te corrigeren. De ijverige eenling kan niet tegen de collega's zeggen: geven jullie dat eerstejaarscollege nou eens.

In de betavakken en de geneeskunde is onderzoek vaak teamwerk, en duur, en corrigeert dat zichzelf nog wel. Maar in de alfa- en gammavakken is onderzoek een invididuele zaak. Is daar niemand die een ander belet om een half jaar niets te produceren, dan presteert die dus niets. Hoe je dat oplost, daar kun je over van mening verschillen - met een beroepsdekaan, of anders. Maar er moet 'een hogere' zijn, die jou vraagt: je hebt het afgelopen jaar wat colleges gegeven, maar wat heb je verder nog gedaan?''

Bomhoff, met andere woorden, vindt de afschaffing van de vakgroepen de enige lovenswaardige gedachte in Ritzens wetsvoorstel. “Het zou treurig zijn wanneer de raden zouden verdwijnen omdat de vakgroepen het verdienen om te verdwijnen. Maar iedereen schijnt de afschaffing van de universiteitsraad opeens heel prima te vinden.

Ik hoop dat Ritzen het ook zo bedoelt. Dat zijn plannen met de raden een bliksemafleider zijn, die uit zijn wet geschoten mogen worden. Maar dat het hem eigenlijk gaat om de vakgroepen.''

mailIcon print |