*

 
dossier

Archief

Sport moet bijdrage leveren aan positieve ontwikkeling maatschappij

Door: redactie − 03/10/97, 00:00

AMSTERDAM - Als gastheer kon hij natuurlijk niet ontbreken, maar NOC-NSF-voorzitter Wouter Huibregtsen werd niet vrolijk van het schrikbeeld dat hij op de Europese Sportconferentie in Amsterdam regelmatig in slaap zou vallen bij de saaie bijdragen van zichzelf graag praten horende geachte afgevaardigden.

Maar zie, een sterk gewijzigde formule met inspirerende inleidingen van hot shots uit de Europese sportwereld en het Nederlandse bedrijfsleven met aansluitend levendige paneldiscussies, hield Huibregtsen scherp. De dertiende ESC was bij onveranderd beleid wellicht één van de laatste geweest.

“De afgelopen twee keer heb ik me afgevraagd of de conferentie nog wel zin had”, beaamt Wim de Heer, naast algemeen secretaris van NOC-NSF ook voorzitter van het uitvoerend comité van de ESC. “Het instituut is in de jaren zeventig ontstaan door de koude oorlog. Het was een van de weinige manieren om in gesprek te blijven met de landen van het oostblok. Is er dan in deze tijd nog plaats voor zo'n tweejaarlijkse bijeenkomst? Het antwoord is ja, omdat de ESC in Europa het enige platform is waar georganiseerde sport en overheid bij elkaar zitten. Maar de formule was achterhaald. Er werd niet gediscussieerd, nee, de vertegenwoordigers van met name de Oost-Europese landen lazen altijd minitieus voorbereide inleidingen voor. Met een kortere conferentie (twee dagen - red) heb je een grotere kans mensen van een hoog niveau aan te trekken.”

De meer dan honderd deelnemers uit 37 landen werkten zodoende in hoog tempo een traditionele, dat wel, agenda af. Gespreksthema's als sport voor allen, de rol van de vrouw in de sport, doping, fair play en de vercommercialisering van de belangrijkste bijzaak in het menselijk bestaan, paradeerden ook al langs toen De Heer in 1979 in het Duitse Berchtesgaden zijn debuut op het Europese sporttoneel vierde. Toen ook vergezelden vertegenwoordigers van de regering als waarnemer de delegatie van de NSF (de fusie met het NOC werd eerst in 1993 beklonken - red), om in de wandelgangen met hun Oost-Europese collega's te kunnen praten.

Het eilandenrijk is inmiddels ingedamd. Staatssecretaris Terpstra maakte gistermiddag in een nabeschouwing gewag van het verregaande partnership van sport, overheid, bedrijfsleven en media; vier sectoren die niet zonder elkaar kunnen. “Dat partnership,” zegt ze, “was tot voor kort een onwerkelijke droom. Nu is ze verwezenlijkt. We moeten elkaar herkennen in 'sportinclusief' denken. Dat geldt niet alleen met betrekking tot bovengenoemd partnership, binnen het kabinet moet er ook voor de andere, bij sport betrokken departementen een win-win-situatie ontstaan. Op lokaal gebied geldt hetzelfde: de wethouder die te maken heeft met criminaliteit moet zich bewust zijn van de sociale cohesie die juist door de sport ontstaat.”

Terpstra heeft voor volgend jaar het sportbudget met een kwart verhoogd. Dat lijkt veel, maar het stelt niet zo gek veel voor: 25 procent van weinig is bijna niets. De rijksoverheid investeert in 1998 zegge en schrijve 55 miljoen in dit onderdeel van de vrije tijdsindustrie. Terpstra, van wie het maar de vraag is of ze terugkeert in Paars 2, vindt dat er nog veel meer geld naar de sport, met name de breedtesport, hoort te vloeien. De eerste aanzetten zijn er volgens de bewindsvrouwe. Sport duikt “prominent” op in verkiezingsprogramma's (al hebben ze het bij de PvdA vergeten in te voegen), terwijl gistermiddag op een paar honderd meter van de lokatie van de ESC het EU-verdrag van Amsterdam werd geratificeerd; met drie regels over sport.

De rol en het nut van de sportconferentie zijn in dat licht vrij marginaal en zeker vrijblijvend. De ESC is geen orgaan dat beleid vertaalt in daden. Ze draagt ideeën aan in de hoop dat regeringen en nationale olympische comités, dan wel sportfederaties ermee aan het werk gaan. Opdat ze, om wat te noemen, veel langer dan twintig minuten gebiologeerd raken door het verhaal van de met zijn hart sprekende oud-schaatser Tomas Gustafson, lid van de atletencommissie van het IOC, maar in eigen land (Zweden) nog steeds niet geëerd. Want bij de bestuursverkiezing van zijn NOC maakte alleen de curlingbond (de vereniging van over het ijs schuivende strijkijzers) zich sterk voor zijn kandidatuur. En dan ook nog omdat mevrouw Gustafson aanvoerder is van het nationale team. “Ik ben in Nederland nog steeds populairder dan in Zweden”, zegt hij. “Daar maak ik het niet mee dat er op een bijeenkomst als deze zeven journalisten in mijn verhaal zijn geïnteresseerd.”

Gustafson is van de generatie dat topsport nog niet werd verziekt door pregnante commerciële invloeden, absurde salarissen en totale vervreemding van de basis, in casu de jeugd en het publiek. “Ik was vorig jaar in Atlanta gefocust op de tijd die Michael Johnson op de 200 meter ging lopen, niet op het geld dat hij daarmee zou verdienen. Dat was in mijn carrière ook mijn innerlijke motivatie. Dromen van een topprestatie was mijn levenselixer. Dat vulde mijn geest met energie. Het belangrijkste in het leven is niet de zege, maar de strijd die je moet leveren om te winnen.” De winnaar van goud in Sarajevo (1984) en Calgary (twee keer, vier jaar later) stamt nog uit de tijd dat de sporter zelf het woord voerde. “Tegenwoordig spreken veel topatleten alleen via hun manager. De vercommercialisering van de sport is te ver doorgeschoten en daarom moeilijk te stoppen.”

Marketingdeskundige Hein Verbruggen, voorzitter van een internationale bond (UCI), waar de bakermat van de sportsponsoring ligt, probeert wielrenners onvermoeibaar op hun verantwoordelijkheden te wijzen. “Ik heb ooit tegen Bugno gezegd: 'Veel geld verdienen is één ding.' Maar waarom verdient hij veel geld? Omdat de sport populair is. En wielrennen is populair omdat er een basis is. In de Ronde van Italië zijn de organisatoren zuinig met dranghekken omdat ze willen dat na afloop duizenden mensen om de winnaar heen staan. Dat is heel essentieel. Zodra de supporter zich niet meer in de vedette herkent, zijn we ver van de realiteit afgedreven. Pratend over excessen vind ik het baseball in Amerika een schrijnend voorbeeld. Het conflict tussen clubeigenaars en spelers van twee jaar geleden, ging om geld en nergens anders om. Het ging volledig voorbij aan de supporters. Het geldt ook voor de Champions League. Dat is een zeer groot commercieel festijn dat geen andere belangen dient dan puur zakelijke. Sport moet net als cultuur een bijdrage leveren aan de positieve ontwikkeling van de maatschappij. Wanneer sport meer en meer business wordt, zie ik die rol in gevaar komen.”

In feite hebben de vele vrijwilligers in de sport (en dat geldt ook voor mensen van het kaliber Verbruggen) de slag reeds verloren. “Als er iets op het gebied van doping is, komt er meteen een hele batterij deskundigen op je af om je onderuit te halen. Als dat niet toereikend is, sjouwt er een heel leger advocaten achter om het karwei wel te klaren. Om alle problemen het hoofd te bieden, heeft de sport managers nodig. De overheid moet ons daarbij helpen.”

Huibregtsen vindt dat het bedrijfsleven in dat verband ook zelfregulerend dient op te treden. “De problemen liggen overigens niet bij de grote bedrijven”, vindt hij. “Met hen is het niet moeilijk goede afspraken te maken over de atleten. Het probleem is het middelgrote bedrijfsleven; de zakenjongens die uit het niets komen en goede sier proberen te maken, de zogenaamde cherry pickers.”

Het ei is gelegd. Dat op de volgende sportconferentie op Malta (1999) het kapmes al ter hand is genomen om de jungle maar enigzins te cultiveren, is een stelling waaraan geen enkele geachte afgevaardigde nu zijn vingers wil branden.

mailIcon print |