*

 
dossier

Archief

De procureur-generaal sprak één keer te weinig

Door: redactie − 16/01/98, 00:00

LEEUWARDEN - “Een zeer capabele politieman”, zei hij eens over toenmalig hoofdcommissaris Nordholt van de Amsterdamse politie. Maar, voegde hij eraan toe, “Nordholt moet er wél voor zorgen dat hij, met al zijn pertinente uitspraken, zijn geloofwaardigheid niet verliest.”

Procureur-generaal mr. dr. Dato Willem Steenhuis (55) bij het gerechtshof in Leeuwarden liet zijn waarschuwing horen in Vrij Nederland van 15 januari 1994.

Vier jaar later, tot op de dag nauwkeurig, is het de vraag of Steenhuis, ondanks zíín pertinente uitspraken, nog wel geloofwaardig is. Dat zijn betaalde nevenfunctie bij onderzoeksbureau Bakkenist - uitgerekend de 'slecht nieuws-boodschapper' voor de pas afgetreden Groningse korpschef J. Veenstra - een smet op zijn carrière werpt en het aanzien van justitie schaadt, staat, nog los van mogelijke feitelijke gevolgen, vast.

Als geen andere procureur-generaal doet Steenhuis al jaren van zich spreken. Met zijn krachtige, heldere standpunten over vaak heel uiteenlopende onderwerpen oogst hij vaak lof. Tegelijkertijd vormen afgunst en afkeer evenzeer zijn deel. Het maakt de hoogste ambtenaar van het openbaar ministerie in het noorden én oosten tot een soms aimabele, dan weer uiterst behoedzame procureur-generaal. Toch staat, sinds hij in '92 in die functie aantrad, één aspect recht overeind. Met Steenhuis mag je het eens of oneens zijn, hij staat voor zijn werk en zijn mening.

Zo iemand wacht gewild of ongewild aanvaringen en die zijn Steenhuis dan ook geenszins bespaard gebleven. De regisseur van het coördineren, uitstippelen én stroomlijnen van het vervolgingsbeleid is bovendien weinig diplomatiek, zodra de vaderlandse bureaucratie aan de orde komt. In het verlengde hiervan heeft hij ook meer dan eens, bijna agressief, zijn aversie jegens hem onwelgevallige politici geëtaleerd. Van de politie heeft hij al evenmin een hoge dunk, terwijl het strafrechtsysteem als zodanig hem als 'te soft' voorkomt.

Opmerkelijke uitspraken van Steenhuis zijn niet alleen aan grote publieksmedia voorbehouden. In CRIterium, een interne uitgave van de Centrale recherche informatiedienst, nam hij in januari 1995 de CRI, de politie en de politiek in één adem op de korrel. “Neem nou dat eeuwige rechtspositionele gezeur”, zei hij over de politie, die zich volgens hem te veel met oneigenlijke taken zou bezighouden. “Laten ze gewoon hun werk doen.”

In dit vraaggesprek waarschuwde hij ook voor een dreigende 'algehele verloedering' in Nederland als gevolg van de vele asielzoekers. “Zo'n vijftig procent van de populatie in onze gevangenissen is niet van Nederlandse afkomst. En dat groeit. Het aantal buitenlanders is in sommige wijken al te groot om nog te kunnen integreren. De samenleving kan dit probleem niet meer aan. Het loopt uit de hand, maar niemand doet iets.” Steenhuis vervolgde: “In dit land is momenteel nergens geld voor; niet voor de instandhouding van het Fries orkest of meer gevangenissen. Plotseling is er wel 500 miljoen extra voor de opvang van asielzoekers. (...). Jullie vinden misschien dat ik nu zit te praten als een rechtse bal. Daar zit ik niet mee.”

Over en tegen de CRI: “De keren dat ik met jullie te maken heb gehad, was ik niet echt onder de indruk.” Over het openbaar ministerie, dat naar zijn oordeel aan een Hier-niet-uitgevonden-syndroom zou lijden: “Wat een ander verzint, kan nooit goed zijn. Dat is heel frustrerend.”

In het noorden probeert de procureur-generaal dan al af te rekenen met deze cultuur. “Dus niet elkaar in het gezicht prijzen en dan elkaar van achteren een mes in de rug steken. In mijn overleg met de hoofdofficieren zeggen we elkaar de waarheid.”

Het was bij lange na niet de enige keer dat Steenhuis ten aanval trok. Opzien baarde zijn uitlating dat sommige automobilisten met één of twee borrels op béter gaan rijden. Afgelopen zomer hield hij een pleidooi voor een wijziging van de maximumsnelheid op bepaalde autowegen. Zo zou, wanneer de verkeersveiligheid dit zou toelaten, de maximumsnelheid van 120 kilometer van hem op sommige wegen 's nachts best 140 kilometer mogen zijn.

Een enkele keer vocht Steenhuis via de pers een oorlogje uit op het (deels) persoonlijke vlak. Dit ondervond de Groningse officier van justitie mr. R. Drenth, die in 1995 niet-ontvankelijkheid eiste in de strafzaak tegen huisarts Kadijk. Deze stond terecht nadat hij het leven van een zwaar gehandicapte baby had beëindigd. De strafzaak volgde na een persoonlijke aanwijzing van minister Sorgdrager die jurisprudentie wilde inzake euthanasie op wilsonbekwamen.

Steenhuis reageerde als door een adder gebeten op de louter juridische afweging van mr. Drenth 'niet-ontvankelijkheid' te eisen. In NRC Handelsblad zegt Steenhuis in die periode dat hij zich 'persoonlijk bedrogen' voelt door Drenth. Ook zegt hij: “Die heldenverering van Drenth, in de media, begint mij een beetje de keel uit te hangen.”

Aan de heldenverering van Steenhuis is door de Groninger affaire een abrupt einde gekomen. Niet omdat hij anderen bedroog of de waarheid niet sprak, maar omdat hij één keer zweeg, waar juist woorden op hun plaats waren geweest.

mailIcon print |