Valt er nog te flirten met het christendom? Of is het voorbij? Of is de toekomst aan de rooms-katholieke kerk of aan de verenigde protestantse kerken of aan de Gereformeerde Bond? Of is kunst de nieuwe religie? Of wordt God de individuele expressie van een individuele emotie? Deze week in het debat over De toekomst der religie een gesprek tussen de godsdienstsocioloog Joep de Hart, de protestantse theoloog Harry Kuitert en de katholieke theologe Annelies van Heijst. Dit artikel is een bewerking van een discussie die de IKON-radio uitzond in het programma 'De Andere Wereld van Zondagavond.'
Kuitert: “Het gaat inderdaad niet goed met God in Nederland, als je met God tenminste de God van de christelijke traditie bedoelt. Wat ik, komend vanuit de institutionele kerken, zie gebeuren, is dat het beton van de waarheid - de absolute, geopenbaarde waarheid zoals die altijd is overgeleverd - in stukken breekt. Dat gebeurt ten dele omdat mensen niet meer uit de voeten kunnen met die massieve openbaringsidee, maar veel belangrijker is dat de waarheid zelf veel mensen niets meer zegt of niets meer doet. Of mensen het nu willen of niet, het kader waarin hun godsdienstige ervaringen een plaats moesten krijgen en dat hun moest vertellen wat ze eigenlijk aan het ervaren waren, brokkelt af of is al weggevallen. Er komt dus meer ruimte voor een persoonlijke beleving van God, voor eigen ervaringen en eigen waarheden. Die staan vaak haaks op wat de kerk vindt.”
“Er zitten ingewikkelde kanten aan deze situatie, maar ik ben toch blij met die ontkluistering. Met dat beton kon je immers niet leven, daar moest iets nieuws op gevonden worden. Goddank kan dat ook. God zit niet vast in de kerkelijke kluisters en het geloof niet in de christelijke versie van God. Alles ligt open. God kan zichzelf wel redden, wij hoeven dat - in en met de kerken - niet te doen. Wat wij in de kerken moeten doen is het christelijk ontwerp van God bespreken en elkaar vragen stellen. Andere vragen dan vroeger: 'waarom zou ik' in plaats van 'waarom moet ik'. Dan krijg je ook heel andere, veel spannender antwoorden.”
De Hart: “Van oudsher worden er verschillende dimensies van godsdienst onderscheiden. Godsdienst heeft te maken met verstandelijke overwegingen, met dingen die je al dan niet geleerd hebt in je jeugd, met ervaringen en natuurlijk met geloof. Godsdienst wordt bovendien verbonden met de inrichting van het dagelijks leven, bijvoorbeeld met de manier waarop iemand zijn kinderen wil opvoeden. In de loop van de geschiedenis zie je een verschuiving op de schaal van die dimensies. In bepaalde periodes is de dimensie van orthodox geloof belangrijk - je onderschrijft alles of helemaal niets - in andere wordt juist meer aangeknoopt bij de individuele ervaringen van mensen.”
“Mijn indruk is dat de ervaringsdimensie de laatste jaren sterk aan belang heeft gewonnen, evenals trouwens de koppeling tussen levensbeschouwing en dagelijkse praktijk. Met name voor jongeren zijn dit de centrale elementen van religie; daar zien ze nog iets in. Een pauselijke zegen of de goedkeuring van een synode zijn voor hen van minder belang.”
Van Heijst: “Ik signaleer nog iets anders dan afbrokkelend beton. In de vernieuwing van geloof en theologie is in de afgelopen dertig jaar, zowel in de protestantse als in de katholieke traditie, iets weggevallen wat volgens mij erg bij het geloof hoort: gevoel voor het heel andere van God, het geheim, het mysterie, dat mensen aantrekt en tegelijkertijd een zekere huiver inboezemt. Het komt mij voor dat wij dat gevoel in de christelijke kerken zijn kwijtgeraakt.”
“Met name mijn generatie is zich in de jaren zeventig gaan richten op de politieke en strijdbare kant van het geloof. Wij zochten God niet in de afzondering van het gebed, maar in de actieve inzet voor een rechtvaardiger wereld, minder in een persoonlijke relatie met God dan in een gemeenschappelijke inzet voor een betere wereld. Misschien vooral in de protestantse kerken, maar zeker ook in de katholieke kerk heeft zich in de afgelopen dertig jaar een emancipatie voltrokken uit het religieuze leven, op weg naar een verstandiger en verstandelijker geloof. Beide kerken zijn huiveriger geworden voor een gevoelsmatige benadering van het goddelijke.”
“Ik heb die ontwikkeling jarenlang als winst beschouwd, maar nu weet ik het zo net nog niet. Ten aanzien van alle nieuwe-tijdsspiritualiteiten die om ons heen opbloeien - van Oibibio tot Jomanda, van aurahealing tot Celestijnse Belofte - zit ik met de mond vol tanden. Het komt mij voor dat het zoeken naar het andere, het transcendente van God in deze nieuwe vormen van spiritualiteit terugkomt.
“Misschien moet ik mijn weerstand tegen deze stroming dus omzetten in zelfkritiek. De nieuwe spiritualiteiten vullen een gat dat de christelijke kerken hebben laten vallen, in hun poging om te winnen aan maatschappelijke relevantie en verstaanbaarheid. Maar in dat proces is God gewoner geworden, Jezus een maatschappijkritische mijnheer en het geloof politiek correct. Veel eraan beleven kun je niet meer. Dat geeft te denken.”
Als het om geloof gaat constateert u dus alle drie een toename van de persoonlijke beleving van God, die bovendien ten koste gaat van de traditionele institutionele kaders van kerk en godsdienst. Hoe waardeert u deze ontwikkeling?
Van Heijst: “Ik vind het waardevol dat het gevoel voor het goddelijke, als het transcendente, fascinerende en huiveringwekkende, aan het terugkomen is. Ik zei al dat ik dit een wezenlijk element vind van geloof. Maar ik zou er wel een paar kanttekeningen bij willen maken.”
“Om te beginnen vind ik het opmerkelijk dat die nieuwe vormen van spiritualiteit vooral buiten de kerk te vinden zijn. Spiritualiteit van christelijke signatuur lijkt zelfs verdacht. Een vriendin van mij, opgegroeid in een goed katholiek gezin, heeft bijvoorbeeld helemaal afstand genomen van het katholieke geloof. Maar tijdens een reis naar Nepal raakte ze onder de indruk van de gebedsmolentjes waarmee iedereen daar rondloopt. Toen ik zei dat wij vroeger met allerzielen en allerheiligen iets vergelijkbaars deden, vond ze dat raar. Maar in Nepal is het prachtig! Ik verbaas me over die discrepantie tussen het volledig afschaffen van het eigen christelijke verleden en het helemaal openstaan voor alles wat occult, vreemd, nieuw en anders is. Alsof alleen daarin het spirituele te beleven zou zijn.”
“Ik maak me ook zorgen over de manier waarop dat overal opbloeiende gevoel voor het goddelijke in banen kan worden geleid. Kan het iets leren van, zich iets laten gezeggen door grotere, bredere tradities? Nu is het heftig en diep, een felle vlam, maar ik vraag me af hoe diep het gaat en of het standhoudt.”
Kuitert: “Dat is een natuurlijk een probleem en ik wil dat beslist niet onder stoelen of banken schuiven. Toch ben ik nog niet zover dat ik vind dat die nieuwe spiritualiteit in banen geleid moet worden. Waarom zou dat moeten? Ik ben wel kritisch; ik zie veel strovuren en er blinkt een hele hoop wat niet God is. Overigens vind ik wel dat je met goede redenen moet kunnen omkleden dat het niet God is, dat het mist wat Van Heijst 'het andere' noemde, het huiveringwekkende; God zit niet in onze zak, hij is niet Van der Hummes daarboven, over wie je vrijblijvend verhaaltjes kunt vertellen. Maar om nu al meteen over banen te beginnen gaat mij te snel. In mijn hart hoop ik dat ze er komen, dat er nieuwe collectieven zullen ontstaan. Maar ik wil me er niet in die zin mee bemoeien dat ik die banen ga aanwijzen.
De Hart: “Zojuist ging het over het beton van de traditie. Met een vergelijkbaar beeld zou je kunnen zeggen dat als God in deze tijd overleeft, hij (of zij) overleeft in de catacomben van het eigen ik. Maar als mensen op een zo persoonlijke manier hun individuele ervaringen beleven en ordenen, betekent dat per definitie dat daaraan moeilijk van buitenaf sturing te geven is. Soms zou je willen dat dat anders was.”
“Halverwege de jaren tachtig en in 1991 analyseerden Jacques Janssen en ik teksten waarin honderden jongeren hun godsbeeld en de daarmee verbonden ervaringen onder woorden brachten. Wat mij daarbij het meest frappeerde was het volstrekt ontbreken van een gemeenschappelijke taal om over God te spreken. Bij elke ondervraagde leek een nieuwe theologie te beginnen. Het ligt in de geest van de tijd om het ontbreken van een gemeenschappelijke taal voor het spreken over God te bagatelliseren: wat telt is de zaak, niet de spraak. Maar dit lijkt mij toch een onderschatting van de invloed van de vormen waarover mensen beschikken, op de inhoud van hun ideeën.”
“Er zou denk ik al veel gewonnen zijn met een soort vergelijkend warenonderzoek van alle spiritualia die nu op de markt zijn, uitgevoerd door - in dit geval - de Nederlandse vereniging van pastoraal werkenden. Zo'n warenonderzoek zou duidelijk kunnen maken dat wat tegenwoordig allemaal voor de laatste wijsheid wordt versleten, al veel langer bekend is en bovendien in een heel wat rijkere vorm dan ze nu wordt opgedist.”
“Een voorbeeld: wat mij persoonlijk na aan het hart ligt is gregoriaanse muziek. Wie schetst mijn verbazing toen ik op een gegeven moment, temidden van de wasmiddelen en de luiers, een reclamespotje zag over gregoriaanse popmuziek. Het publiek dat dit soort muziek koopt zou vermoedelijk raar opkijken van de uitnodiging om een gregoriaanse mis bij te wonen. Maar die combinatie van kitsch en terugkeer van christelijk erfgoed is interessant. Veel elementen die onder het mom van nieuwe spiritualiteit door het leven gaan, beschouw ik als een vorm van edelkitsch. Het is het net niet, het klatergoud ligt er te dik bovenop. Aan de andere kant zie je in dit milieu heel veel dingen ontstaan die religie als het ware via de band spelen: via de band van het oosten, van andere culturen, van exotica, ook uit het westen. En daar zit veel bij wat wel degelijk de moeite waard is. Het aanbod zou alleen beter gestructureerd kunnen worden.”
Van Heijst: “Ik zie de christelijke traditie als een erfenis van geloof dat beproefd is. Dat is wat mij betreft ook het bijzondere en het waardevolle ervan: het is een geloof dat vele levens lang is meegegaan. Natuurlijk behoeft het in deze tijd bijstelling, maar je kunt er wel iets van leren. Als het gaat om opvattingen van het goddelijke, zou je uit de christelijke geloofstraditie bijvoorbeeld kunnen halen dat het goddelijke nooit op zakformaat gesneden kan worden. Het kan nooit zomaar worden ingezet of toegeëigend voor eigen gebruik. Dit is mijns inziens wel een kenmerk van veel van die 'klatergoudspiritualiteiten'; die beloven vaak een soort klaar-terwijl-u-wacht-recept. Het moet allemaal vooral niet te lang duren, want dan verdwijnt het geloof en gaat men op zoek naar iets anders.”
De Hart: “Ik wil u nu toch even onderbreken. Ondanks de peilloze wijsheid die u zojuist verwoordde, vind ik dit een elitaire visie op religie. Het is voor mij zeer de vraag of het beeld dat u nu schetst van een christendom waarin God niet op maat gesneden mag worden, ook maar enigszins correspondeert met het klassieke volksgeloof. Dat bracht mensen er toch toe hun kaarsjes op te steken en met hun knieën over de trappen te kruipen voor een stoel in de hemel en niks anders. Boter bij de vis, dat is toch altijd de mentaliteit geweest in brede religieuze bewegingen. Zo'n houding is niet alleen typerend voor eigentijdse vormen van spiritualiteit.”
Kuitert: “Diezelfde mentaliteit zie ik terug bij sportmannen en -vrouwen, die zich knielende over het veld bewegen omdat ze goaltje hebben gemaakt, of een goaltje willen maken, of omdat ze eenhonderdste van een seconde sneller willen lopen dan hun tegenstander. Dat gaat al biddende. Maar zodra er geen doelpunten meer gemaakt hoeven worden, scheidt zo iemand ook uit met bidden. Dat is dus allemaal vluchtig, dat ben ik met Van Heijst eens.”
“Wat terugkomt en altijd terug zal blijven komen, zijn de zogenaamde perennial problems: de eeuwige problemen die telkens opnieuw de individuele mens en de mensheid als geheel plagen. Je gaat dood, of je vriendje gaat dood, of je moeder gaat dood en hoe moet dat nu verder - van dit soort heikele dingen hangt een mensenleven aan elkaar.”
“We hebben in de christelijke geloofstraditie recht van bestaan als we die vragen goed stellen. Het christendom bedoelde op die grote levensvragen een antwoord te zijn. Maar is het dat ook - of nog? Daar ligt de toets. En ik ben bang dat dat vaak helemaal niet zo is, dat er eerder sprake is van een ratelslang van versteende overleveringen. En ik ben blij dat die uit elkaar breekt en we opnieuw op zoek kunnen gaan naar de echte antwoorden.”
De Hart: “Terecht heeft u het over eeuwige vragen. Er wordt tegenwoordig zoveel gesproken over het einde van de Grote Verhalen. Misschien zijn we aan het einde gekomen van de grote woorden, maar ik vraag me inderdaad af of de oervragen die altijd ten grondslag hebben gelegen aan de wereldgodsdiensten hun geldigheid verloren hebben. Vragen mensen zich niet meer af waartoe ze op aarde zijn, wat de zin is van wat ze doen, of er een perspectief is dat uitgaat boven het momentane? Uit mijn jongerenonderzoeken heb ik beslist niet de indruk overgehouden dat die vragen tegenwoordig in minder vruchtbare bodem zouden vallen.”
“Wat me in diezelfde onderzoeken is opgevallen is de manier waarop jongeren op deze vragen en problemen reageren: ze gaan vrijwel zonder uitzondering bidden. Maar er blijkt een groot verschil met eerdere onderzoeken naar bidden. Vroeger baden mensen ook als ze in de problemen zaten - en niet zozeer om te bedanken of hun vreugde te betonen. Maar toen werd er gebeden in de verwachting dat het iets zou uithalen en de situatie ten goede zou keren. Tegenwoordig wordt er gebeden zonder enige verwachting dat daardoor iets zal veranderen. De psychiater Thomas Schatz heeft eens gezegd: 'Als je met God praat is dat bidden, als God terugpraat is het schizofrenie'. Die gedachte vind je bij veel jongeren terug.”
“Wat dan toch de zin is van dat bidden - en dat staat dus helemaal los van de officiële kerkelijke visie - is dat het een manier is om je te schikken in je lot, om te anticiperen op wat de toekomst je kan brengen, of om duidelijkheid te scheppen in een verwarrende situatie. Maar er is niet meer de verwachting dat een mijnheer op een wolk iets zal terugzeggen. Bidden is eenrichtingsverkeer geworden, een gesprek met jezelf.”
Van Heijst: “Dat is precies waar ik naar toe wilde toen u me onderbrak. Ik denk dat het waar is dat mensen in religies altijd hun best hebben gedaan om het God naar de zin te maken, zodat God het hen naar de zin zou maken - in het hiernumaals of in het hiernamaals, voor een stoel in de hemel. Maar dat deden ze tot voor kort vanuit een soort godsgeloof waarin ze geen zicht hadden op het eindoordeel. Dat was in Gods hand.”
“Kenmerkend voor veel nieuwe-tijdsdenken is dat de cirkel gesloten is: als niet uitkomt wat jij beoogt, deugt je overtuiging niet. Wat mij in de christelijke traditie - ongeveer tot aan de twintigste eeuw - aanspreekt zijn de gedachten over de levenshouding die een gelovige zou moeten innemen. De gelovige moest proberen om in een houding van ontvankelijkheid, dankbaarheid, nederigheid en, vooruit, deemoed in het leven te staan. Ik zou dat passieve deugden willen noemen. Die staan haaks op het overspannen activisme van deze tijd, waarin iemand helemaal verantwoordelijk wordt gesteld voor haar eigen geluk, haar eigen succes en vaak ook nog haar eigen gezondheid. Ik denk dat het goed is om ons te herinneren dat er ook andere manieren zijn om in het leven te staan. Manieren die je ontslaan van schuldgevoel als het jou nu toevallig niet zo goed gaat.”
Kuitert: “Dit spreekt me erg aan. Ik ben ook huiverig voor een levenshouding waarbij iedere tegenslag kan worden uitgelegd als eigen schuld, dikke bult. Zo'n houding lijkt me de spirituele variant van de maakbaarheid van het leven. Zelfs op het spirituele vlak is een mens de schepper van eigen geluk, van zijn relatie met God. Op die manier blijft er van de kant van God eigenlijk niets meer over.
Dit gesprek over het veranderende imago van God lijkt inderdaad meer te gaan over het veranderende imago van geloven. Over welke God hebben we het eigenlijk?
Kuitert: “Dat moet hij - of zij - eigenlijk zelf zeggen. Het hoogste bod dat wat mij betreft in de christelijke traditie te vinden is is een persoonachtige schepper, een aanspreekpunt in een overigens zwijgend heelal. Iemand die aan te spreken is op wat er gebeurt en niet gebeurt, en op wat er zou moeten gebeuren, naar wie je jammerklachten kunt opzenden, maar misschien ook vreugdekreten. Het is alleen een bijna krankzinnig geloof, dat er een oor zou zijn dat het geschreeuw van de armen hoort, en een oog dat ze ziet. Soms denk ik dat dit te hoog gegrepen is, maar ik kan het niet laten erop te hopen. Dat is mijn geloof.”
“Een heel andere vraag blijft natuurlijk of daar werkelijkheid aan beantwoordt. Het lastige is dat wij geen andere toegang tot God hebben dan door het gesprek: al pratend en uitwisselend proberen we ons een beeld te vormen. En dat geldt niet alleen binnen de christelijke traditie. Het is niet alleen zo dat er eeuwige vragen zijn die ons duwen in de richting van religieuze antwoorden. Mensen voelen ook, en dat is iets van alle tijden en culturen, een enorme behoefte om zich te buiten te gaan aan datgene wat boven hen uitgaat. Dat reiken naar het andere, in de woorden van Van Heijst, zie je terug in modern godsdienstig geloof, ook in heel veel instantgeloof. God als snelle kick. Ik moet nu even denken aan de manier waarop een tijdje geleden gesproken werd over 'God in the pot': een godservaring door het roken van hasj.”
“Ik denk dat we die nieuwe vormen van spiritualiteit niet bij voorbaat moeten verachten. Maar nogmaals, we moeten wel de vraag blijven stellen of daar werkelijkheid aan beantwoordt. En het antwoord daarop is, als je het mooi wilt zeggen, een kwestie van menselijk avontuur. Pas door veel klappen en veel vreugdes heen kun je tenslotte misschien zeggen: Ik heb een vleugje van God meegemaakt.”
Van Heijst: “Door te spreken over God roep je een bepaald beeld van God op. God kan en hoeft ook niet op één manier gekend te worden. In de Schrift vinden we veel verschillende beelden van God. Die beelden zijn niet bedoeld om God voor eens en voor goed te beschrijven, maar nodigen uit tot een zich telkens vernieuwend godsverstaan. Juist die verschillende manieren waarop mensen gevoel voor God hebben lijkt me kostbaar.”
“Het beeld dat ik zelf graag zou willen oproepen - als een soort stamelen van beneden - is het beeld van een God die in alle opzichten groter is dan het menselijke, die een andere maat aanlegt dan de menselijke maat, groter is dan ons hart. Ik voel wel iets voor Kuiterts 'persoonachtige aanspreekpunt'. Vanuit het geloof in zo'n God kun je ook geloven dat iets op je toekomt. En dat vind ik heel belangrijk. Ik hecht erg aan het anderszijn van God, juist als tegenwicht tegen onze maakbaarheidsovertuiging.”
Laat die spanning tussen een persoonlijke beleving van God en iets wat daarboven uitgaat, of wat vanaf de andere kant op je toekomt, zich voor deze tijd vertalen in een programma?
De Hart: “Welke mogelijkheid je ook verzint of aanbiedt, voor alles moet een prijs betaald worden. De Evangelische Omroep, die in dit gezelschap vermoedelijk geen hoge ogen gooit, moet je toch niet te snel terzijde schuiven. Het lijkt mogelijk om langs die weg te overleven, ook in een seculariserende cultuur. Maar de prijs die betaald moet worden is wel dat je in de marge van het moderne leven zit, en met een klein maar stabiel gezelschap verder moet. Anderen zoeken het daarom in een andere richting.”
“Kijkend naar de onderzoeken die we daarnaar gedaan hebben denk ik wel, dat alleen ervaringen opdoen rondom God voor de meeste mensen niet genoeg is. Ze gaan op de een of andere manier op zoek naar vrijhavens of naar ritualiseringen die in de loop van eeuwen geijkt zijn. De dichter Hans Lodeizen schreef ooit: 'Geluk is een vederloos vogeltje, stervend waar het nest hem niet omkrult'. Datzelfde geldt voor veel religieuze ervaringen. Vroeg of laat manifesteert zich de behoefte aan een soort inbedding. Of die ook collectief gedeeld wordt is nog weer een andere vraag.”
“Maar het blijkt vreselijk moeilijk om in je uppie levensbeschouwelijk geluk te vinden. Dat is misschien een methode voor enkele religieuze virtuozen, maar voor driekwart van de mensheid is het niet weggelegd.”
Van Heijst: “Ik denk dat het met gevoel voor God is als met alle talent: het moet in cultuur worden gebracht, worden ontwikkeld en vervolmaakt. Wat daarbij kan helpen - en dat is bijvoorbeeld een bijdrage die de theologie kan leveren - is om rondom de grote levensgebeurtenissen als geboorte, huwelijk en dood, terug te grijpen op oude religieuze rituelen. Mensen hebben er behoefte aan om de overgangen in hun leven op de een of andere manier gestalte te geven. De grote verhalen van het christendom kunnen daaraan gekoppeld worden. Het is zinvol om nieuwe hervertellingen van de Schrift te blijven geven - Het verhaal gaat van Nico ter Linden is daarvan natuurlijk een mooi voorbeeld. Zelf vind ik het bovendien belangrijk om moderne literaire en kunstuitingen te verbinden met de grote woorden uit de geloofstraditie, te laten zien dat en op welke manier begrippen als verzoening, vergeving, schuld en genade daarin naar voren komen.”
“Voor deze tijd zie ik weinig andere mogelijkheden. Het evangeliseren zoals de Evangelische Omroep doet gaat uit van een veel te massieve waarheidsaanspraak. Misschien zou ik dus niet direct spreken van een programma, maar meer van een voortdurende vertaalslag.”
Kuitert: “We zitten nu eenmaal in een periode van niet-weten. Ik zie dan ook geen programma, zeker niet één dat te ontwikkelen valt. Het zou verstandig zijn als de christelijke kerken zich daarbij neerlegden. Anders moet er weer van alles en dat krijgt al gauw iets paniekerigs. Er is op dit moment gewoon niet iets wat de kerken heel goed weten of heel goed kunnen.”
“Waar ik, ook als theoloog, het meeste in zie is het gesprek. Al valt mij nu wel in dat wij hier al pratend wel van alles kunnen bedenken voor kerk en wereld, en voor mijn part zelfs voor God, maar dat vermoedelijk niemand zich daar iets van zal aantrekken. We mogen hopen dat sommige mensen iets herkennen of kunnen beginnen met wat hier allemaal gezegd is. Maar toch is dat waar ik nog iets van verwacht: het simpele gesprek over de oervragen. Waar weet je geen raad meer mee in je leven, en bots je daar dan op God, als de schepper, regeerder en bestuurder van deze wereld? Waar zou je tegen willen protesteren - want dat hoort er ook bij, er moet veel meer geprotesteerd worden tegen God. We moeten God niet alleen liefde noemen. En wie weet blijft God op deze manier levend en wakker, op de termiek van onze discussie.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.