*

 
dossier

Archief

Ethische discussie nodig rond plaatsing varkenshart bij mensen

L. LAEYENDECKER − 20/02/98, 00:00

Ruim een maand geleden kwam een rapport van een commissie van de Gezondheidsraad in de openbaarheid. Minister Borst had aan de Raad verzocht haar te informeren over de 'stand van wetenschap ten aanzien van xenotransplantatie', dat is: het overbrengen van organen, weefsels of cellen van een dier van de ene soort naar een dier van de andere soort of naar de mens. Het rapport heeft even flink de aandacht getrokken, maar die is weer weggeëbt. Dat is jammer, want het kan aanzetten tot nadenken over zaken die in het rapport zelf onbesproken blijven. Waar gaat het over?

Er is een tekort aan organen voor transplantatie (hart, nier, long, lever) en dat tekort groeit doordat de vraag door de vergrijzing en de verruiming van de criteria om voor transplantatie in aanmerking te komen veel sneller dan het aanbod. Er wordt naar alternatieven gezocht en die menen sommigen te kunnen vinden in het gebruik van dierlijke organen; de blikvanger daarbij is het varkenshart.

Aan deze 'xenotransplantie' zijn echter formidabele problemen verbonden. Allereerst is er het gevaar dat soortvreemde organen afgestoten worden.

Verder is er het vooralsnog onbekende en dus ook onberekenbare gevaar van infecties die zich vanuit het dierlijk orgaan kunnnen verspreiden, niet alleen naar de ontvanger, maar ook naar zijn omgeving. Beheersing van dit probleem vereist voortdurende medische controle, niet alleen van de patiënt, maar ook van al degenen met wie deze contact heeft. Zijn of haar 'medisch regime' wordt dus tot alle verwanten, vrienden en bekenden uitgebreid, tenzij de betrokkenen bereid zijn van alle directe contacten af te zien; het staat echt zo in het rapport.

Experiment

Daarbij zijn nog twee dingen lang niet zeker. Allereerst, dat het getransplanteerde orgaan inderdaad adequaat kan functioneren: een varkenshart heeft een geringer vermogen dan een menselijk hart. Onzeker is ook of de wachtlijsten inderdaad korter zullen worden. Want een groter aanbod zet onvermijdelijk de criteria voor toelating tot transplantatie onder druk. Daardoor groeit ook de vraag weer. Wat echter nu al vaststaat is, dat de organen 'commercieel beschikbaar zullen worden gesteld'. Dat moet bij zoveel onzekerheid toch een hele geruststelling zijn.

De commissie herbergt waarschijnlijk twee zielen in haar borst, waardoor het rapport een wat dubbelzinnig karakter heeft gekregen. Aan de ene kant worden de problemen duidelijk beschreven en is de conclusie onmiskenbaar. “Er is nog geen zicht op een succesvolle xenotransplantatie” en “Klinische toepassing is voorlopig niet aan de orde, zelfs niet in het kader van een experiment”. Experimenten op mensen zijn 'op dit moment niet verantwoord'. Aan de andere kant worden er door de opzet van het rapport voortdurend verwachtingen gewekt ten aanzien van betere tijden. Bijvoorbeeld: “de commissie pleit er tenslotte voor om, vooruitlopend op eventuele klinische toepassingen, wetgeving te ontwikkelen voor de productie en toepassing van xenotransplantaten”. Want, zo lijkt de onderliggende overtuiging te zijn, de wetenschap heeft wel voor hetere vuren gestaan.

Maar hoe zit het dan met de ethiek van dit alles? Die komt op diverse plaatsen aan de orde. Allereerst waar het de 'inbouw van soortvreemde organen in de mens betreft'. Het antwoord is simpel: er worden al heel lang hulpstukken gebruikt, kunstmatige of van dierlijke oorsprong (hartkleppen bijvoorbeeld). Dan kan er dus tegen deze volgende stap geen bezwaar bestaan, is blijkbaar de redenering. De commissie sluit niet uit dat sommigen hier, op grond van religieuze of culturele overwegingen, anders over denken. Daarom bepleit zij adequate voorlichting en het voeren van een maatschappelijke discussie.

In de tweede plaats zijn er ethische vragen met betrekking tot de genetische modificatie van dieren die voor onderzoek nodig zijn. Dat is nu wettelijk verboden tenzij er zwaarwegende redenen zijn van het verbod af te wijken. De Commissie Biotechnologie bij Dieren moet hierover de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van advies dienen. In het rapport wordt dan ook naar die commissie verwezen. Maar het is wel duidelijk wat de auteurs van het rapport daarover denken. Dat moet kunnen, terwijl er toch ook op dat punt buitengewoon ernstige problemen liggen.

Overigens is het veelzeggend dat de vraag naar de ethische toelaatbaarheid pas aan de orde komt, nadat de technische problemen uitvoerig de revue zijn gepasseerd. Dat is niet alleen een kwestie van compositie van het rapport; zo gaat het ook in de praktijk. Van de kant van sommige onderzoekers wordt daarvoor zelfs gepleit: als de wetenschappers hebben gezegd wat kan, is het de taak van anderen vast te stellen of het ook gewenst is. Er is al eerder op gewezen dat de wetenschappers ons voordurend voor voldongen feiten stellen. Bovendien is het opmerkelijk dat er net gedaan wordt alsof het technisch-wetenschappelijk onderzoek als zodanig geen ethisch karakter heeft. Techniek is volgens veel wetenschappers ethisch neutraal. Maar waar techniek zo sterk gericht is op xenotransplantatie, deelt zij natuurlijk in de ethische problematiek die aan de transplantatie verbonden is. De ethiek hoort niet pas aan het eind te komen maar aan het begin.

Dieronvriendelijk

Het is ook zeer opmerkelijk dat er in het rapport geen woord gewijd wordt aan vragen die al veel langer in de maatschappij leven en besproken worden. Deze vragen bijvoorbeeld: schuilt achter de jacht op een paar jaar levensverlenging misschien een onvermogen de eindigheid van het leven te aanvaarden? Is het wel wenselijk zulke dubieuze middelen en zo dieronvriendelijke methoden aan te wenden voor die levensverlenging? Moet alles aan menselijke belangen ondergeschikt worden gemaakt? Leidt de hoge waarde die wij aan de gezondheid toekennen niet tot een onverantwoorde medicalisering van ons bestaan?

Een maatschappelijk debat over de xenotransplantatie zou dan ook op de eerste plaats over deze en dergelijke vragen moeten gaan. En daarmee over de aard van de cultuur waarin wij leven. Dat is ook een cultuur waarin de oplossingen voor onze bestaansproblemen primair in techniek en wetenschap worden gezocht. Het kan zijn dat ook de commissieleden die vragen bij zich hebben voelen opkomen, maar uit de tekst valt dat niet op te maken.

mailIcon print |