*

 
dossier

Archief

JE TREKT JE MES EN STEEKT ZEVENTIEN KEER OP HEM IN

JAAP DE BERG − 20/01/96, 00:00

Nexus nr. 13, uitg. Kok Agora, Kampen. Beweging, 59/4, uitg. Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte, Utrecht (030-234 20 30).

Ter illustratie citeert hij in het tijdschrift Nexus een hit uit het Duitse rechts-radicale zangrepertoire. In vertaling: “Als je een Turk in de tram ziet die je provocerend aankijkt, dan sta je gewoon op en je slaat 'm neer, je trekt je mes en steekt zeventien keer op hem in.”

Safranski heeft naam gemaakt als biograaf van Schopenhauer en Heidegger. Hij schrijft nu een boek over het kwaad. Nexus bevat een voorproef, genaamd 'De terugkeer van het kwaad' (hier vooral opgevat in de beperkte zin van redeloos geweld).

Die titel zinspeelt erop dat het westerse denken dit kwaad tientallen jaren lang heeft veronachtzaamd. Nogal onnozel vindt Safranski dat, achteraf. De geschiedenis leert immers dat beschaving een breekbaar vlies is, gespannen over een baaierd van aandriften tot geweld. Freud zag dat scherp. De van overheidswege georganiseerde massale sterfte in de Eerste Wereldoorlog kon de indruk wekken dat de mensheid diep gezonken was. Maar niet bij Freud, die schreef: “In werkelijkheid zijn de mensen niet zo diep gezonken als we vrezen, omdat ze helemaal niet zo hoog geklommen waren als we van hen dachten”.

Hoe komt het dat dit inzicht de laatste decennia is verwaarloosd? Dat komt, meent Safranski, doordat de geschiedenis op het noordelijk halfrond bijna een halve eeuw heeft stilgestaan, of beter: 'ingevroren' is geweest in twee machtsblokken. Zo kon de illusie ontstaan dat de bevolking aldaar geen last meer had van stamgevoel en neiging tot etnische politiek en burgeroorlog. Nu een van die blokken is ingestort, heeft de geschiedenis haar loop hernomen, en is ze, als vanouds, “open, gevaarlijk, onberekenbaar, een chaos van de macht”.

Ook op andere gronden betwijfelt Safranski sterk dat de mensheid aanmerkelijke vorderingen heeft gemaakt in de beteugeling van het kwaad. Hem beangstigt de dynamiek van de technisch-wetenschappelijke beschaving, een proces dat zijn schepper, de mens, naar de ondergang dreigt te voeren, als 'een lawine die onstuitbaar het dal in dondert'.

Vroeger wisten de meeste mensen zich overgeleverd aan Gods genade, nu zijn ze het - wellicht - aan de genade van een technologisch systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen. Maar evenmin als vroeger - oppert Safranski in een opbeurende slotalinea - is wanhoop geboden. De geschiedenis blijft open. Succes is niet verzekerd, maar ondergang evenmin. “Er blijft ons niets anders over dan zo te handelen alsof God en onze eigen natuur het beste met ons voorhebben.”

HET KWAAD: EEN MIDDEL OM DE WERELD TE VERBETEREN?

Safranski doet het voorkomen alsof godsvertrouwen een enigszins achterhaald antwoord is op de opmars van het kwaad. Dit is niet de indruk die Beweging wekt in een nummer dat eveneens 'het kwaad' belicht, zij het vooral vanuit een tijdloos gezichtspunt. Beweging is een populair-filosofisch kwartaalblad (oplage 3 500), uitgegeven door de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, een geesteskind van wijlen de filosofen Dooyeweerd en Vollenhoven. Hun gedachtengoed, tot in de jaren zestig dominant aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, wordt nog altijd op zeven geografisch gespreide leerstoelen in Nederland uitgedragen.

Kenmerkend voor de reformatorische filosofie is een geregeld beroep op de Bijbel. Daaraan ontleent bijvoorbeeld VU-hoogleraar J. van der Hoeven de overtuiging dat achter schijnbaar onpersoonlijke verschijningsvormen van het kwaad zich een regisseur schuilhoudt, en wel 'de Boze' (ook wel Satan of de duivel genaamd). Op de eeuwenoude vraag waarom God deze regisseur zo breeduit zijn gang laat gaan, heeft Van der Hoeven geen antwoord. Hij waagt zich wel aan een gissing. “Gaat het hier misschien om afgronden die voor ons te duizeling- en huiveringwekkend zijn en die God alleen maar zelf aan kan, met een voor ons onpeilbare krachts- en lijdensinspanning?”

De Amerikaanse filosoof A. Plantinga meent misschien iets meer te weten. “In het algemeen - schrijft hij in Beweging - kunnen we zeggen dat God kwaad toestaat omdat Hij zo een betere wereld bereikt dan wanneer Hij het zou voorkomen (. . .) maar we zien niet waarom onze wereld met alle kwalen beter zou zijn dan andere die we kunnen bedenken.”

Plantinga's collega-filosoof G. H. von Wright, ooit in Cambridge opvolger van Wittgenstein en bezorger van diens schriftelijke nalatenschap, zou daar waarschijnlijk van opkijken. Hij gaat er in Nexus van uit, dat de wereld volgens de traditioneel-christelijke opvatting in geen enkel opzicht beter wordt voordat God de eindbalans opmaakt. Integendeel, 'de afgebakende periode tussen (het verloren en het herwonnen paradijs) vormt in wezen een geschiedenis van het verval'. Von Wright brengt die gedachte te berde om - in een lang en verhelderend cultuur-historisch betoog - aannemelijk te maken dat de mythe van de vooruitgang maar een vrij kort intermezzo heeft gemarkeerd in de westerse geschiedenis.

Opmerkelijk in Plantinga's verhaal is ook dat hij in het kwaad eerder een argument vóór dan tegen het bestaan van God ziet. Hij redeneert als volgt. De verschrikkelijkste vorm van kwaad komt voort uit mateloze menselijke slechtheid. Die geldt vrij algemeen als volstrekt pervers. Dit veronderstelt een besef van morele plichten. En daar is geen verklaring voor te vinden, als we verwijzen naar een een goddelijke wetgever, 'iemand wiens natuur het is om slechtheid te verafschuwen'. Voor naturalisten - zeg maar: denkers die geen bovennatuurlijke macht erkennen - is dit morele besef daarentegen onverklaarbaar.

Wie deze redenering weerlegd, althans met argumenten bestreden wil zien, kan terecht in het Bezinningscentrum van het voormalige bolwerk der reformatorische wijsbegeerte, de VU. De directeur ervan, W. B. Drees, promoveerde in 1994 op een boek waarin hij o. a. de moraal verklaart vanuit de evolutie, zonder de hypothese van een bovennatuurlijke God.

mailIcon print |