*

 
dossier

Archief

Drie jaar cel geëist voor doden van doodzieke moeder

Door: redactie − 07/01/98, 00:00

Van onze correspondent MAASTRICHT - “Het is van belang de term 'euthanasie' niet met dit soort zaken in verband te brengen.” Dat betoogde officier van justitie mr. J. Kolkert gisteren tijdens zijn requisitoir voor de rechtbank in Maastricht, in een zaak tegen een man uit Landgraaf die vorig jaar oktober in het ziekenhuis van Heerlen zijn doodzieke moeder om het leven bracht.

Hoewel hij moord bewezen achtte en er vanuit ging dat niet in de eerste plaats uit medelijden was gehandeld, eiste hij (slechts) drie jaar cel. Het familiedrama speelde zich af op zondag 5 oktober vorig jaar. De 36-jarige verdachte, Pierre H., had die middag in de voetbalkantine zo'n twintig glazen bier op, was met zijn dochtertje (met wie hij een omgangsregeling had) nog even langs de frietboer gereden en was vervolgens naar huis gegaan. Zijn 63-jarige moeder lag op dat moment alleen op een kamer in het ziekenhuis van Heerlen. Zij was er door kanker zo erg aan toe, dat haar leven uitzichtloos was en zij hevige pijnen leed. Zelfs de pastoor kon het lijden van de vrouw op een bepaald moment niet meer aanzien.

De weken daaraan voorafgaand was bij de familie van de vrouw irritatie ontstaan over de veronderstelling dat zij wel met de buurvrouw en de pastoor, maar niet met haar kinderen wenste te praten. Voor Pierre - type stoere bouwvakker, maar met een klein hartje - gold bovendien dat hij door de al twee jaar slepende ziekte van zijn moeder, in combinatie met andere persoonlijke problemen, behoorlijk overspannen was geraakt. Die zondagavond belde hij zijn ex met de vraag of zij hun dochterje meteen wilde komen halen omdat hij naar het ziekenhuis moest. Hij vertelde haar dat hij het zat was om door zijn moeder aan het lijntje te worden gehouden en dat hij er een einde aan zou gaan maken. 'Je zult het maandag of dinsdag wel in de krant lezen', voegde hij haar nog toe en reed naar het ziekenhuis.

Daar aangekomen vroeg hij zijn broer naar de rokerskamer te gaan omdat hij met moeder wilde praten. Hij ging haar kamer binnen, drukte net zo lang een kussen op haar hoofd totdat haar hart niet meer klopte en liep rustig weer naar buiten. Tegen een verpleegster vertelde hij dat zijn moeder altijd al 'een lastig mens' was geweest, hem altijd had getreiterd en de verpleging waarschijnlijk ook wel tot last zou zijn geweest. Het had al veel te lang geduurd, vond hij. Hij zei ook dat hij thuis had besloten haar te doden, bij het bed nog even had getwijfeld, maar toch had besloten het te doen.

Medelijden

Ter zitting bleek dat de verdachte door zijn familie, met wie het eerst niet best boterde, in de armen is gesloten. “Hij heeft gedaan wat iedereen wel wilde, maar niet durfde”, verwoordde een familielid het gevoel. H. zei dat hij zich van de meest cruciale momenten, waarover hij eerder tegenover de politie breedvoerige verklaringen aflegde, niets meer kan herinneren. “Ik weet nog dat ik mijn moeder vroeg of ze met me wilde praten. Dan is het weg. Het eerste dat ik mij herinner is dat er een kussen op haar buik lag en dat ze dood was. Ik heb er spijt van. Achteraf heb ik het ook uit medelijden gedaan. Maar ik had er geen recht toe. Absoluut niet.”

Volgens de psychiater die hem onderzocht, handelde H. in een opwelling en was hij op dat moment 'vrij sterk verminderd toerekeningsvatbaar'. Voor het overige wordt H. geschetst als een doodgewone kerel die geen hulpverlener nodig heeft, hooguit bij zijn alcoholprobleem. Officier van justitie mr. Kolkert was het met de conclusie van de psychiater eens, maar niet met diens uitgangspunt dat H. in een opwelling zou hebben gehandeld. Volgens hem is duidelijk sprake van voorbedachte rade, dus moord, maar dan wel een curieuze. H. handelde immers niet uit wraak, rancune of winstbejag, maar ook niet (in de eerste plaats) om zijn moeder uit haar lijden te verlossen. “Het heeft te maken met een reeks emoties over een heel lange tijd.” De voorbedachte rade typeerde hij als “getob met de situatie en de onmacht met zichzelf”.

De advocaat van H., mr. P. Glenz, deed een beroep op 'psychische overmacht'. De officier van justitie vond dat te ver gaan. Glenz probeerde het ook over de boeg van euthanasie - “het ondraaglijke lijden van zijn moeder was het uitgangspunt” -maar dat bestreed Kolkert te vuur en te zwaard. “Het verleggen van de grenzen van euthanasie kan niet geaccepteerd worden. Hier is het leven van een mens genomen.”

Uitspraak op 20 januari.

mailIcon print |